Stemrecht en vruchtgebruik (art. 3:219 BW)
1 InleidingHet uitoefenen van stemrecht, verbonden aan een goed dat aan vruchtgebruik is onderworpen, is op meerdere plekken in het Burgerlijk Wetboek geregeld (dit volgt uit art. 3:219 BW). In beginsel heeft de hoofdgerechtigde het stemrecht, tenzij anders is bepaald. De regeling in art. 3:219 BW ziet op (rest)gevallen buiten het bepaalde in art. 2:88 BW, art. 2:197 BW en art. 5:123 lid 3 BW om. 2 ReikwijdteHet bepaalde in art. 3:219 BW ziet op gevallen van uitoefening van een stemrecht,…
Verder lezen?
Om dit document te kunnen bekijken, moet u ingelogd zijn.
Geen inloggegevens?
Heeft u nog geen inloggegevens, dan kunt u een abonnement afsluiten.
Bent u werkzaam op het notariële en/of fiscale werkterrein en wilt u het gebruik van Via Juridica ervaren?
Vraag een gratis proefabonnement aan en probeer Via Juridica één maand uit!
Voor (voltijd)studenten is een gratis studentenabonnement beschikbaar.
Gebruikers van Via Juridica
Bekijk alleWet- en regelgeving
Artikel 219
Artikel 219
Buiten de gevallen, geregeld in de artikelen 88 en 197 van Boek 2 en artikel 123 van Boek 5, blijft de uitoefening van stemrecht, verbonden aan een goed dat aan vruchtgebruik is onderworpen, de hoofdgerechtigde toekomen, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik anders is bepaald. Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 komt het stemrecht eveneens aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik door partijen of door de kantonrechter op de voet van artikel 23 lid 4 van Boek 4 anders wordt bepaald.