LOADING  
Fiscaal
Civiel

Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (art. 3.132 - 3.138 Wet IB 2001)

Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Dit thema maakt onderdeel uit van de kennisdossiers: Mail a friend
Bijgewerkt tot 1 april 2021
De redactie

1 Algemeen

In artt. 3.132 t/m 3.138 Wet IB 2001 is een regeling getroffen voor negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn aftrekbaar voor de vaststelling van het belastbaar inkomen in box 1 (art. 3.1 lid 2 onder i Wet IB 2001). Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn teruggaven van die uitgaven voor inkomensvoorzieningen (art. 3.132 Wet IB 2001) en worden als inkomen uit werk en woning aangemerkt (art. 3.1 lid 2 onderdeel f Wet IB 2001). Van negatieve inkomensvoorzieningen is bijvoorbeeld sprake als betaalde premies voor lijfrenten eerder in aftrek zijn gebracht, maar later worden terugontvangen, omdat de overeenkomst is geannuleerd.
Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden (art. 3.146 lid 1 Wet IB 2001). Wordt gehandeld in strijd met de voorwaarden op grond waarvan sprake is van aftrekbare uitgaven voor inkomensvoorzieningen, dan worden eveneens negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen (art. 3.133 Wet IB 2001). In geval van emigratie worden eveneens negatieve uitgaven in aanmerking genomen (art. 3.136 Wet IB 2001). 
In art. 3.138 Wet IB 2001 is een regeling opgenomen ter voorkoming van dubbeltellingen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in een aantal specifieke situaties waaronder emigratie. 

2 Fictieve negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij verboden handelingen

Het begrip negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen wordt in art. 3.133 Wet IB 2001 uitgebreid. Op grond hiervan worden ook in de heffing betrokken de premies en bedragen die zijn betaald voor een aanspraak als ten aanzien hiervan bepaalde verboden handelingen worden verricht. Het gaat dan met name om handelingen als gevolg waarvan de betreffende inkomensvoorziening niet meer voldoet aan de gestelde voorwaarden (art. 3.133 lid 2 Wet IB 2001). Voorts moet ook het behaalde rendement over de betaalde premies en bedragen in aanmerking worden genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De premies en ingelegde bedragen vermeerderd met het behaalde rendement worden overeenkomstig art. 3.137 Wet IB 2001 gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op het tijdstip waarop de verboden handeling zich voordoet.

2.1 Uitzonderingen

Niet alle verboden handelingen leiden tot het in aanmerking van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. In art. 3.134 Wet IB 2001 wordt een uitzondering gemaakt voor de gevallen waarin:

  • een lijfrente als bedoeld in artt. 3.124 en 3.125 Wet IB 2001 geheel of gedeeltelijk fiscaal geruisloos wordt omgezet in een ander zodanig recht (lid 1);
  • een inkomensvoorziening in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt overgedragen aan de andere echtgenoot ter voldoening of afkoop van een alimentatieverplichting of ter voldoening aan een verplichting tot verevening van pensioenrechten (leden 2, 3 en 4);
  • een lijfrenteverplichting overgaat op een niet-professionele verzekeraar als bedoeld in art. 3.126 lid 1 onderdeel a onder 2° of art. 3.131 lid 2 Wet IB 2001 in het kader van de overdracht van een onderneming (lid 6). Zie MvF 28 mei 2018, nr BLKB2018/66294 onderdeel 3.2.

2.2 Beroepspensioenen

Premies die bepaalde beoefenaren van een zelfstandig beroep, zoals notarissen, betalen voor de in hun branche geldende pensioenregeling zijn aftrekbaar van de winst uit onderneming. Bovendien wordt de aangroei van de aanspraak vrijgesteld (art. 3.13 lid 1 onderdeel b jo 1.7 lid 2 onderdeel b Wet IB 2001). Worden ten aanzien hiervan bepaalde verboden handelingen verricht, dan worden de premies voor de aanspraken uit het beroepspensioen en het daarover behaalde rendement in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (art. 3.135 Wet IB 2001). Ook hierbij geldt een uitzondering voor de omzetting van de aanspraak in een ander zodanig recht (lid 3) en voor de overdracht of omzetting van de aanspraak in het kader van een echtscheiding of scheiding van tafel en bed aan de andere echtgenoot (lid 4).

3 Emigratie

Bij een belastingplichtige die emigreert en in het verleden uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek heeft gebracht, worden de premies voor de aanspraken en het daarover behaalde rendement in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Deze negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden vervolgens aangemerkt als te conserveren inkomen ten aanzien waarvan een conserverende aanslag wordt opgelegd (art. 2.8 en 2.9 Wet IB 2001).

4 Waardering

Het bedrag aan in aanmerking te nemen premies en bedragen en het daarover behaalde rendement wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van die aanspraak. De waarde in het economische verkeer van de premies en bedragen van een aanspraak waarvan nog geen uitkeringen zijn vervallen, wordt ten minste gesteld op de premies en bedragen die voor die aanspraak zijn betaald en nog niet als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen (art. 3.137 lid 1 Wet IB 2001). Dit wordt ook wel de minimumwaarderingsregel genoemd.

4.1 Minimumwaarderingsregel geldt niet bij afkoop lijfrenteaanspraken 

Bij onder andere afkoop van lijfrente-aanspraken wordt als heffingsgrondslag in aanmerking genomen de waarde in het economische verkeer van die aanspraak of een gedeelte daarvan (art. 3.137 lid 1 eerste volzin Wet IB 2001). De waarde in het economische verkeer van afgekochte lijfrenteaanspraken waarvan nog geen uitkeringen zijn vervallen, werd tot voor enkele jaren ten minste gesteld op de betaalde premies of de ingelegde bedragen (art. 3.137 lid 1 tweede volzin Wet IB 2001). Dit is de zogenoemde minimumwaarderingsregel. De toepassing van de minimumwaarderingsregel bij (gehele of gedeeltelijke) afkoop van een aanspraak op een lijfrente kan er toe leiden dat een belastingplichtige meer belasting is verschuldigd dan het bedrag van de afkoopsom van de lijfrente. Dit doet zich met name voor bij lijfrenteovereenkomsten waarbij de waarde van de lijfrenteaanspraken door beleggingsverliezen aanzienlijk lager ligt dan de betaalde en afgetrokken premies of inleg. Omdat dit als ongewenst wordt beschouwd is sinds 1 januari 2016 de minimumwaarderingsregel bij afkoop van lijfrenteaanspraken niet meer van toepassing (art. 3.137 lid 1 derde volzin Wet IB 2001).