LOADING  
Fiscaal
Civiel

Belastingpakket 2019

Belastingpakket 2019

Mail a friend
Bijgewerkt tot 6 november 2018
De redactie

1 Inleiding

Op 18 september 2018 is het Belastingpakket 2019 gepresenteerd. Het pakket bevat geen wijzigingen voor de Succesiewet of Wet belastingen van rechtsverkeer. Desondanks zijn er voldoende wijzigingsvoorstellen die relevant zijn voor het notariaat. Deze worden hieronder behandeld.

Deze toelichting wordt gedurende het wetgevingsproces aangevuld.

2 Kamerstukken

De plannen zijn opgenomen in de volgende wetsvoorstellen:

2.1 Belastingplan 2019 (Kamerstukken 35026)

2.2 Overige fiscale maatregelen 2019 (Kamerstukken 35027)

2.3 Wet bedrijfsleven 2019 - voorheen: Wet bronbelasting 2020 (Kamerstukken 35028)

2.4 Wet modernisering kleineondernemersregeling (Kamerstukken 35033)

3 Cijfers 2019

Box 3 heffing

Het heffingvrij vermogen bedraagt voor het jaar 2019: € 30.360.

In de onderstaande tabel zijn de tarieven en bijbehorende verdeling van het vermogen en rendement voor de heffing in box 3 opgenomen.

 Vermogen na  aftrek heffingsvrij  vermogen

 Spaardeel (klasse  I), forfatair  rendement 0,13%

 Beleggingsdeel  (klasse II), forfatair  rendement 5,60%

 Per saldo belaste  inkomsten  (afgerond)

 Belastingheffing  (afgerond)

 € 0 - € 71.650  (1e schijf)

 67%

 33%

 1,94%

 0,58%

 € 71.650 -  € 989.736  (2e schijf)

 21%

 79%

 4,45%

 1,34%

 > € 989.736  (3e schijf)

 0%

 100%

 5,60%

 1,68%

4 Inkomstenbelasting

4.1 Invoering tweeschijvenstructuur in de inkomstenbelasting

De tarieven in de tweede en derde schijf van de inkomstenbelasting worden in 2019 en 2020 stapsgewijs gelijkgetrokken met het vanaf 2021 geldende nieuwe tarief in de eerste schijf (basistarief). Door de invoering van het tweeschijvenstelsel ontstaat een meer proportionele heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, een zogenoemde sociale vlaktaks, met een gezamenlijk basistarief van 37,05% voor het inkomen tot en met € 68.507 en een toptarief van 49,5% voor het inkomen boven € 68.507. Voor AOW-gerechtigden die minder premies volksverzekeringen betalen, ontstaat een drieschijvenstructuur waarbij voor het inkomen tot en met € 35.286 een gecombineerd tarief geldt van circa 20%.
Voorgesteld wordt om de inkomensgrens van de tweede tariefschijf deze kabinetsperiode niet te indexeren, zodat op termijn een groter deel van de belastingplichtigen met het toptarief te maken krijgt.

Vindplaats: Belastingplan 2019, art. I, C en D en art. II, A en B en art. III, A en B

4.2 Beperking aftrektarief vanaf 2020

De belastingverlaging die wordt gerealiseerd door de invoering van een tweeschijvenstructuur in de inkomstenbelasting, wordt deels betaald door per 1 januari 2020 het tarief waartegen hypotheekrente met betrekking tot een eigen woning in aftrek kan worden gebracht, versneld te verlagen en door deze aftrekbeperking ook te laten gelden voor:

  • de ondernemersaftrek (bestaande uit de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek);
  • de MKB-winstvrijstelling;
  • de terbeschikkingstellingsvrijstelling; en
  • de persoonsgebonden aftrek (op dit moment bestaande uit de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, de uitgaven voor specifieke zorgkosten, de weekenduitgaven voor gehandicapten, de scholingsuitgaven, de uitgaven voor monumentenpanden, de aftrekbare giften, het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren en - op grond van overgangsrecht - verliezen op beleggingen in durfkapitaal). 

De aftrekbeperking zal niet gelden voor de uitgaven voor inkomensvoorzieningen (lijfrentepremies).

Samengevat ziet de ontwikkeling van de aftrekbeperking er voor de komende jaren als volgt uit:

Jaar 2018 2019 2020 2021 2022 2023
Maximaal aftrektarief aftrekbare kosten eigen woning 49,5% 49,0% 46,0% 43,0% 40,0% 37,05%
Maximaal aftrektarief andere grondslagverminderende posten* 51,95% 51,75% 46,0% 43,0% 40,0% 37,05%

* In 2018 en 2019 vindt in deze categorie nog geen afbouw van het maximale aftrektarief plaats.

Vindplaats: Belastingplan 2019, art. II, A en B

4.3 Verlaging eigenwoningforfait vanaf 2020

Het eigenwoningforfait wordt voor woningen met een WOZ-waarde tot € 1.060.000 ter compensatie van de versnelde afbouw van het aftrektarief voor hypotheekrente in 2020, 2021 en 2023 jaarlijks verlaagd. Deze verlaging bedraagt voor woningen met een WOZ-waarde van meer dan € 75.000 0,05%, zodat het eigenwoningforfait in 2023 nog 0,45% bedraagt. Voor een eigen woning met een WOZ-waarde van meer dan € 1.060.000 blijft het eigenwoningforfait ongewijzigd 2,35%.

Vindplaats: Belastingplan 2019, art. II, C en art. III, D en art. V, A.

4.4 Correctie box 2-tarief

Het kabinet heeft besloten om de in het regeerakkoord aangekondigde tariefsverhoging in box 2 te verzachten om het midden- en kleinbedrijf tegemoet te komen. Vanwege de wijziging van de tarieven in de vennootschapsbelasting wordt voorgesteld het tarief in box 2 te corrigeren van 25% naar 26,9% per 2021 in plaats van naar 28,5%. Dit gebeurt in twee stappen: met ingang van 2020 wordt het tarief met 1,25%-punt verhoogd naar 26,25% en met ingang van 2021 wordt het tarief met 0,65%-punt verder verhoogd naar 26,9%. De voorgestelde verdere verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven (zie hierna) naar aanleiding van het intrekken van het voorstel om de dividendbelasting af te schaffen heeft niet geleid tot een voorstel om het ab-tarief nog verder te verhogen.  
Als het marginale toptarief van werknemers, IB-ondernemers en dga’s wordt vergeleken geeft dat het volgende beeld:

  Huidig Structureel per 2021
Werknemer (IB) 52,00% 49,50%
IB-ondernemer (IB) 44,72% 44,33%
DGA winst < € 200.000 (Vpb + IB) 40,00% 37,87%
DGA winst > € 200.000 (Vpb + IB) 43,75% 41,89%

Vindplaats: Belastingplan 2019, art. II, C en art. III, C

4.5 Voornemen tot belasten rekeningcourantschulden van dga boven € 500.000 als dividend

Het kabinet heeft in de Miljoenennota een maatregel aangekondigd om excessief lenen bij de eigen BV te ontmoedigen. Beoogde ingangsdatum van deze maatregel is 1 januari 2022. Het kabinet gaat een zogenoemde rekening-courantmaatregel uitwerken. Uit onderzoek blijkt dat veel aanmerkelijkbelanghouders (ab-houders) grote bedragen lenen van hun eigen vennootschappen. In totaal leenden in 2015 ruim 225.000 ab-houders meer dan € 51 miljard van hun eigen vennootschap. Circa 23.000 ab-houders (10% van de lenende ab-houders) lenen op individueel niveau meer dan € 500.000 en in totaal ruim € 30 miljard (circa 60% van de totale schuld van ab-houders aan hun vennootschappen). Door te lenen van de eigen vennootschap kunnen ab-houders belastingheffing in box 2 langdurig uitstellen en in bepaalde situaties zelfs afstellen. Het toezicht door de Belastingdienst op leningen van de eigen vennootschap aan de ab-houders is zeer bewerkelijk en leidt in de praktijk tot veel tijdrovende discussies. Daarom kondigt het kabinet een specifieke maatregel aan die lenen boven een bedrag van € 500.000 van de eigen vennootschap ontmoedigt. Deze maatregel past bij de aanpak van belastingontwijking en zorgt voor een betere uitvoerbaarheid van het belastingstelsel door de Belastingdienst. De maatregel heeft een jaarlijkse voor het inkomstenkader relevante budgettaire opbrengst van € 50 miljoen.

Bij de uitwerking van deze maatregel gaat het kabinet uit van de volgende contouren:

  • Als de totale som van schulden van de ab-houder aan zijn eigen vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, wordt dat meerdere als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.
  • De maatregel treedt op 1 januari 2022 in werking.
  • Zowel bestaande als nieuwe eigenwoningschulden aan de eigen vennootschap worden van deze maatregel uitgesloten.

Vindplaats: Miljoenennota, p. 35, Bijlagen bij de Miljoenennota, p. 45 en MvF 15 oktober 2018, nr 2018-0000175261.

5 Invorderingswet

5.1 Uitbreiding aansprakelijkheid voor belastingschuld bij verhaalscontructies

De Belastingdienst kan in zijn verhaalsmogelijkheden worden beperkt, doordat belastingschuldigen hun vermogen afstoten (bijvoorbeeld door het doen van een schenking of het uitkeren van dividend), voordat de Belastingdienst tot inning heeft kunnen overgaan.
In het civiele recht bestaat voor een dergelijke onverplichte rechtshandeling het rechtsmiddel ‘Actio Pauliana’. In grensoverschrijdende gevallen biedt de Actio Pauliana echter onvoldoende soelaas en in binnenlandse gevallen zijn de termijnen voor het inroepen van de Actio Pauliana veelal voor de Belastingdienst niet haalbaar.

Om dergelijke verhaalsconstructies – constructie waarbij de Belastingdienst wordt beperkt in zijn verhaalsmogelijkheden – tegen te gaan, is in het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2019 art. 33a Inv. opgenomen. Dit artikel maakt het mogelijk om degene (hierna genoemd de begunstigde) die wordt bevoordeeld door een onverplichte rechtshandeling of feitelijke handeling (al dan niet onderdeel uitmakend van een samenstel van handelingen) aansprakelijk te stellen tot ten hoogste het bedrag van de begunstiging, mits zowel de belastingschuldige als de begunstigde wisten of behoorden te weten dat benadeling van de Belastingdienst het gevolg van die rechtshandeling zou zijn. De bewijslast hiervan ligt bij de Belastingdienst.
Gelet op het feit dat wetenschap van benadeling veelal lastig is te bewijzen, is voorzien in een wettelijk vermoeden van wetenschap van benadeling bij zowel de belastingschuldige als de begunstigde, indien de Belastingdienst aannemelijk kan maken dat:
1. de rechtshandeling onderdeel uitmaakt van een verhaalsconstructie;
2. de rechtshandeling tot stand is gekomen nadat de belastingschuld materieel is ontstaan; en
3. sprake is van een kwalificerende gelieerdheid bij de betrokken personen.

Indien de Belastingdienst voornoemde punten aannemelijk kan maken, geldt het wettelijk vermoeden van wetenschap van benadeling. Dit bewijsvermoeden kan de begunstigde vervolgens weerleggen aan de hand van (bijvoorbeeld) boeken, papieren bescheiden of andere gegevensdragers waaruit blijkt dat de (rechts)handeling die tot benadeling van de Belastingdienst heeft geleid, is verricht in het kader van de normale bedrijfsvoering van de belastingschuldige.
Bij ontbreken van een wettelijk vermoeden van wetenschap van benadeling, zal de Belastingdienst aannemelijk moeten maken dat sprake is van wetenschap van benadeling bij zowel de belastingschuldige als de begunstigde.

Een aansprakelijkgestelde kan in bezwaar en beroep niet alleen de aansprakelijkstelling betwisten, maar ook de hoogte van de belastingaanslag waarvoor hij is aangesproken.

Indien tussen de belastingschuldige en de begunstigde een Afgezonderd Particulier Vermogen (APV) is geplaatst, zijn de toerekeningsregels van art. 2.14a Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing.

In art. 33a lid 3 Inv. worden de relevante begrippen voor toepassing van art. 33a Inv. gedefinieerd.
Ook is in art. 33a lid 5 Inv. voorgesteld dat de aansprakelijkheid van de begunstigde tevens geldt indien de begunstigde niet in Nederland woont of is gevestigd (extraterritoriale werking).

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen, art. XII, onderdeel C

5.2 Uitbreiding verhaalsmogelijkheden op erfgenamen voor belastingschulden opgekomen na overlijden erflater

Erfgenamen die zuiver aanvaarden, zijn op grond van de saisine (art. 4:182 BW) hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de erflater. In de huidige tekst van art. 48 Inv. is in deze aansprakelijkheid een begrenzing aangebracht om erfgenamen tegen negatieve financiële gevolgen te beschermen. Dit geldt voor navorderings- en naheffingsaanslagen die na het overlijden van de belastingschuldige worden vastgesteld en voor aansprakelijkheidsschulden die zijn opgekomen na het overlijden van de belastingschuldige. De begrenzing houdt in dat een erfgenaam niet verder aansprakelijk is dan voor het bedrag van zijn erfdeel vermeerderd met hetgeen aan hem is gelegateerd.

In de praktijk is gebleken dat erflaters anticiperen op deze begrenzing van de aansprakelijkheid van de erfgenamen, door het vermogen kort voor het overlijden te schenken aan de erfgenamen. Daarmee wordt de nalatenschap uitgehold en bedragen de erfdelen van de erfgenamen weinig tot nihil, waardoor hun aansprakelijkheid op grond van art. 48 Inv. wordt begrensd.

Om deze constructie tegen te gaan, is in het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2019 voorgesteld om art. 48 Inv. zodanig aan te passen, dat het maximumbedrag waarvoor de erfgenamen aansprakelijk kunnen zijn, te verhogen. Dit wordt bewerkstelligd door de aansprakelijkheid uit te breiden met het bedrag van schenkingen die de erfgenaam van de erflater heeft ontvangen tot 180 dagen voor diens overlijden. Dit geldt ook voor schenkingen die binnen 180 dagen voor het overlijden zijn gedaan onder ontbindende of opschortende voorwaarde, ongeacht het moment waarop de voorwaarde in vervulling gaat of is gegaan. Met deze bepaling wordt aangesloten bij art. 12 SW.
De uitbreiding geldt op grond van het voorgestelde art. 48 lid 3 Inv. niet voor schenkingen die zijn vrijgesteld van schenkbelasting of voor schenkingen waarvan de schenkbelasting is kwijtgescholden.

Ook kan de uitbreiding van art. 48 Inv. gevolgen hebben voor erfgenamen die beneficiair hebben aanvaard. In beginsel wordt een erfgenaam die beneficiair aanvaardt, niet aansprakelijk voor de schulden van de erflater. Echter, als na vereffening van de nalatenschap blijkt dat de belastingschulden niet kunnen worden voldaan uit de nalatenschap, dan wordt de erfgenaam op grond van de voorgestelde uitbreiding van art. 48 Inv. aansprakelijk voor maximaal het bedrag dat aan hem is geschonken door de erflater binnen 180 dagen voor diens overlijden.

Overigens kunnen situaties voorkomen dat de Belastingdienst zowel op grond van het voorgestelde art. 33a Inv. als op grond van de uitbreiding van art. 48 Inv. kan invorderen. In dat geval is op grond van jurisprudentie de Ontvanger vrij in zijn keuze via welke weg de aansprakelijkstelling zal verlopen.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen, art. XII, onderdeel D

5.3 Alternatieve wijze van bekendmaken belastingaanslag aan niet langer bestaande rechtspersoon

Een belastingaanslag moet aan de belastingplichtige bekend zijn gemaakt om de betalingstermijn te laten aanvangen. Pas als de belastingplichtige in gebreke blijft met het voldoen van de belastingschuld, kan de Belastingdienst overgaan tot het nemen van dwanginvorderingsmaatregelen, zoals het aansprakelijk stellen van een derde. Als de belastingplichtige geen natuurlijke persoon is en niet langer bestaat, is bekendmaking door de Belastingdienst niet mogelijk. Dit speelt met name bij naar Nederlandse recht opgerichte rechtspersonen of naar buitenlands recht opgerichte rechtspersonen. Op grond van de huidige wetgeving is het noodzakelijk dat de Belastingdienst in dat geval de vereffening van een niet langer bestaande rechtspersoon met tussenkomst van de rechter heropent, zodat de belastingaanslag alsnog bekend kan worden gemaakt.
Om dit proces voor de Belastingdienst te vereenvoudigen, wordt een alternatieve wijze van bekendmaken van de belastingaanslag aan een (vermoedelijk) niet langer bestaande rechtspersoon voorgesteld. Voortaan vindt uitreiking of verzending van het aanslagbiljet plaats aan het parket van een ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Rechtbank binnen het rechtsgebied waarin de laatst bekende vestigingsplaats van de rechtspersoon is gelegen of bij Rechtbank Den Haag.

Hiermee is de bekendmaking van de belastingaanslag voor de toepassing van de Invorderingswet voltooid. Vervolgens wordt de uitreiking of verzending van de desbetreffende aanslaggegevens in de Staatscourant gepubliceerd. Ook wordt een kopie van het aanslagbiljet verzonden of uitgereikt aan de laatst bekende bestuurders, aandeelhouders en vereffenaars van de (vermoedelijk) niet meer bestaande rechtspersoon.
Vanaf het moment van deze alternatieve wijze van bekendmaken van de belastingaanslag treden de rechtsgevolgen in en beginnen onder meer termijnen zoals de bezwaartermijn en de betalingstermijn van de belastingaanslag te lopen.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2019, art. XII, A

6 Algemene wet rijksbelastingen

6.1 Aanpassing termijnen belastingrente voor inkomstenbelasting en erfbelasting

Met ingang van het belastingjaar 2014 is het einde van de aangiftetermijn voor de inkomstenbelasting verschoven van 1 april naar 1 mei na afloop van het belastingjaar. Hierdoor zou het kunnen voorkomen dat aan belastingplichtigen die tussen 1 april en 1 mei na het belastingjaar aangifte doen, ondanks dat zij die aangifte tijdig doen, toch belastingrente in rekening wordt gebracht. In de praktijk wordt in die gevallen echter geen belastingrente in rekening gebracht. Voorgesteld wordt deze praktijk in de wet vast te leggen.
Dit zou betekenen dat als een aangifte is ontvangen vóór ‘de eerste dag van de vijfde maand na afloop van het tijdvak waarover belasting wordt geheven’ (dus vóór 1 mei) en de (voorlopige of definitieve) aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, wordt over de aanslag inkomstenbelasting géén belastingrente in rekening gebracht.
Voor de vennootschapsbelasting wordt om budgettaire redenen pas in het Belastingplan 2020 een vergelijkbare regeling voorgesteld.

Voor de erfbelasting wordt voorgesteld duidelijk in de wet op te nemen dat geen belastingrente in rekening wordt gebracht ingeval de belastingaanslag erfbelasting is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig een ingediende aangifte, indien het verzoek of de aangifte is ontvangen voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden.

Vindplaats: Belastingplan 2019, art. XXVI, A, B en C, Nota naar aanleiding van het verslag

6.2 Bezwaar tegen belastingaanslag aan niet langer bestaande rechtspersoon

In het verleden is discussie ontstaan of rechtsgeldig een bezwaar kon worden ingediend tegen de belastingaanslag die aan een niet langer bestaande rechtspersoon was opgelegd. De Hoge Raad (19 september 2003, nr 38372, ECLI:NL:HR:2003:AK8288) heeft hierover geoordeeld dat het bezwaar door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken ontvankelijk is, indien het bezwaarschrift op naam van de betreffende rechtspersoon is ingediend. Voorgesteld wordt dit arrest te codificeren en de groep personen die in bezwaar kunnen komen uit te breiden tot de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar van de rechtspersoon.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2019, art. XI, A

7 Wet bedrijfsleven 2019 (voorheen Wet bronbelasting 2020)

Het wetsvoorstel Wet bronbelasting 2020 is hernoemd in Wet bedrijfsleven 2019. In het Wetsvoorstel was oorspronkelijk het voorstel opgenomen om de dividendbelasting per 1 januari 2020 af te schaffen en om tegelijkertijd een bronbelasting in te voeren op dividenden binnen concernverband in misbruiksituaties en op dividenden aan lichamen die zijn gevestigd in landen waar deze dividenden laag of niet worden belast. Bij tweede nota van wijziging zijn de hiervoor genoemde voorstellen ingetrokken waardoor de huidige dividendbelasting blijft bestaan. Als gevolg van het niet doorgaan van de afschaffing van de dividendbelasting is in het wetsvoorstel Wet bedrijfsleven 2019 een verdergaande verlaging van het tarief in de vennootschapsbelasting voorgesteld, in combinatie met een aantal maatregelen die de Vpb-grondslag verbreden.

7.1 Verlaging tarief vennootschapsbelasting

Het Vpb-tarief wordt stapsgewijs verlaagd:

  2018 2019 2020 2021
Eerste schijf 20% 19% 16,5% 15%
Tweede schijf 25% 25% 22,55% 20,5%

7.2 Grondslagverbreding vennootschapsbelasting

Een aantal maatregelen die de grondslag in de vennootschapsbelasting verbreden, zijn:

  • Een beperking van het aantal jaren dat verliezen in de vennootschapsbelasting voorwaarts kunnen worden verrekend van negen naar zes jaar (per 1 januari 2019);
  • Een beperking van de afschrijving op gebouwen in eigen gebruik. Op dit moment mag voor de VPB-winstbepaling op deze gebouwen worden afgeschreven tot 50% van de WOZ-waarde. Per 1 januari 2019 kan op deze gebouwen tot maximaal de WOZ-waarde worden afgeschreven; Als gevolg van het niet afschaffen van de dividendbelasting is er financiële ruimte voor de invoering van overgangsrecht waardoor op dergelijke gebouwen die voor 1 januari 2019 in gebruik zijn genomen en waarop nog niet drie jaar is afgeschreven, nog drie jaar volgens de huidige wettelijke regeling mag worden afgeschreven.

Het oorspronkelijk voorziene voorstel tot het invoeren van een verbod per 1 januari 2020 op het direct beleggen in Nederlands vastgoed door fiscale beleggingsinstellingen, is vanwege het niet afschaffen van de dividendbelasting ingetrokken.

8 Omzetbelasting

8.1 Wijziging vrijstelling omzetbelasting voor sportbeoefening

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie EU blijkt dat de sportvrijstelling in de Wet OB niet in lijn is met de BTW-richtlijn. Daarom wordt de Nederlandse sportvrijstelling verruimd, hetgeen ongunstig kan uitpakken voor sportinstellingen, bijvoorbeeld in geval van grote investeringen en ook waar het betreft de exploitatie van sportaccommodaties. In veel gevallen zal het niet meer mogelijk zijn om sportaccommodaties btw-belast te exploiteren. In de huidige situatie maken instellingen vaak gebruik van een speciaal voor de btw ontworpen organisatorische juridische structuur om de omzetbelastingdruk te beperken. Door deze structuur kan de omzetbelasting op de investeringen onder voorwaarden worden afgetrokken waardoor de financiering van sportaccommodaties door gemeenten en sportverenigingen tegen een lagere kostprijs kan worden gerealiseerd. Zie voor een voorbeeld Hoge Raad 1 december 2017, nr 15/05302, ECLI:NL:HR:2017:3037.
Door de voorgestelde wijziging zullen gemeenten en sportstichtingen en -verenigingen veelal de voorbelasting niet meer kunnen aftrekken. Dit financiële nadeel wordt gecompenseerd door middel van een subsidieregeling. De financiering van sportfaciliteiten wordt daarmee op een zo transparant en eenvoudig mogelijke wijze gerealiseerd. Er is voorzien in een overgangsregeling.

Vindplaats: Belastingplan 2019, art. XXIV, C en art. XXV (overgangsregeling)

8.2 Wet modernisering kleineondernemersregeling in de omzetbelasting

Het kabinet stelt voor om de huidige kleineondernemersregeling (KOR) te moderniseren door de regeling te vervangen door een facultatieve omzetgerelateerde vrijstelling van omzetbelasting met een omzetgrens van € 20.000 per kalenderjaar. De kern van de nieuwe KOR is dat een ondernemer die onder de omzetgrens blijft en ervoor kiest om de nieuwe KOR toe te passen, geen btw in rekening brengt aan zijn afnemers. Daar staat tegenover dat hij de btw die andere ondernemers aan hem in rekening brengen niet in aftrek kan brengen. In vergelijking met de huidige KOR wordt de nieuwe KOR bovendien uitgebreid in die zin dat deze ook toegankelijk wordt voor rechtspersonen, zoals stichtingen, verenigingen en BV’s.
Bij beoordelen van de omzetgrens gaat het om de omzet die een in Nederland gevestigde ondernemer behaalt met leveringen en diensten die belastbaar zijn in Nederland, ongeacht het van toepassing zijnde tarief en ongeacht of de heffing is verlegd naar zijn afnemer. Evenals onder de huidige KOR kunnen ondernemers zelf bepalen of zij gebruik willen maken van de regeling.
Ondernemers die voor toepassing van de nieuwe KOR kiezen, zijn als hoofdregel ontheven van het doen van btw-aangifte en de daarbij horende administratieve verplichtingen met betrekking tot de door hen verrichte goederenleveringen en diensten.

9 Loonbelasting

9.1 Verhoging maximale maand- en jaarvergoeding voor vrijwilligers in de loonbelasting

Vanwege het grote maatschappelijke belang van vrijwilligerswerk wordt voorgesteld het voor een kalenderjaar geldende plafond van de regeling voor vrijwilligers met € 20 op maandelijkse basis en € 200 op jaarbasis te verhogen. Hierdoor wordt een vrijwilliger voor de loonbelasting niet als werknemer aangemerkt als de vergoedingen en verstrekkingen die hij ontvangt tezamen niet hoger zijn dan € 170 per maand en € 1.700 per jaar. Het gevolg van deze regeling in de loonbelasting is dat de vrijwilliger deze vergoedingen en verstrekkingen kan ontvangen zonder inhouding van loonbelasting en premies volksverzekeringen. Zodra minimaal een van deze twee maximumbedragen te boven wordt gegaan, is de wettelijke uitzondering op het begrip werknemer niet meer van toepassing en dient volgens de gebruikelijke criteria te worden getoetst of sprake is van een dienstbetrekking.

Vindplaats: Belastingplan 2019, art. XIII, A