LOADING  
Fiscaal
Civiel

Belastingpakket 2018

Belastingpakket 2018

Mail a friend
Bijgewerkt tot 1 januari 2018
De redactie

1 Belastingpakket 2018

Op 19 september 2017 zijn het Belastingplan 2018, de wet Overige Fiscale Maatregelen 2018 en Wet afschaffing van de btw-landbouwvrijstelling gepresenteerd. De voor het notariaat meest in het oog springende wijziging betreffende de nieuwe regelgeving omtrent de bepaling of het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden aanleiding geeft tot heffing van schenk- of erfbelasting, is bij amendement vervallen. Daardoor is het pakket met de voorgestelde wijzigingen beperkt. De Tweede Kamer heeft op 22 november 2017 ingestemd met de wetsvoorstellen. Op 19 december 2017 heeft de Eerste Kamer eveneens ingestemd met de wetsvoorstellen.
Hieronder wordt uitgebreid ingegaan op de diverse wijzigingen.

2 Kamerstukken

De plannen zijn opgenomen in de volgende wetsvoorstellen:

2.1 Belastingplan 2018 (Kamerstukken 34785)

2.2 Overige fiscale maatregelen 2018 (Kamerstukken 34786)

2.3 Wet afschaffing btw-landbouwvrijstelling (Kamerstukken 34787)

3 Cijfers 2018

Op 21 december 2017 heeft het Ministerie van Financiën de fiscale cijfers voor 2018 gepubliceerd. U vindt de cijfers via deze link.

3.1 Tarief aftrek kosten eigen woning

In 2018 bedraagt het tarief waartegen de aftrebare kosten met betrekking tot de eigen woning in de vierde belastingschijf kunnen worden afgetrokken 49,5%.

3.2 Eigenwoningforfait

 WOZ-waarde bedraagt meer dan:  Maar niet meer dan:  Eigenwoningforfait percentage:
 € 0  € 12.500  nihil
 € 12.500  € 25.000  0,25%
 € 25.000  € 50.000  0,40%
 € 50.000  € 75.000  0,55%
 € 75.000  € 1.060.000  0,70%
 € 1.060.000  -  € 7.420 + 2,35% voorzover boven € 1.060.000 uitkomt

3.3 Box 3 heffing

Het heffingvrij vermogen bedraagt voor het jaar 2018: € 30.000.

In de onderstaande tabel zijn de tarieven en bijbehorende verdeling van het vermogen en rendement voor de heffing in box 3 opgenomen.

 Vermogen na  aftrek heffingsvrij  vermogen

 Spaardeel (klasse  I), forfatair  rendement 0,36%

 Beleggingsdeel  (klasse II), forfatair  rendement 5,38%

 Per saldo belaste  inkomsten  (afgerond)

 Belastingheffing  (afgerond)

 € 0 - € 70.800  (1e schijf)

 67%

 33%

 2,02%

 0,61%

 € 70.800 -  € 978.000  (2e schijf)

 21%

 79%

 4,33%

 1,3%

 > € 978.000  (3e schijf)

 0%

 100%

 5,38%

 1,61%

3.4 Schenk- en erfbelasting tarieven

 Verkrijging

 Tariefgroep I  (partner en kinderen)

 Tariefgroep IA  (kleinkinderen)

 Tariefgroep II  (overige verkrijgers)

 0 - € 123.248  10%  18%  30%
 € 123.248 en hoger  20%  36%  40%

3.5 Vrijstellingen schenkbelasting

Kinderen  € 5.363
Kinderen 18 - 40 jaar (eenmalige grote schenking) of  € 25.731
Kinderen 18 - 40 (eenmalige schenking voor dure studie)  € 53.602
Kinderen 18 - 40 (eenmalige schenking voor eigen woning)  € 100.800
Overige verkrijgers  € 2.147

3.6 Vrijstellingen erfbelasting

 Partner  € 643.194
 Kinderen en kleinkinderen  € 20.371
 Bepaalde zieke en/of gehandicapte kinderen  € 61.106
 Ouders  € 48.242
 Overige verkrijgers  € 2.147

3.7 Vrijstelling ondernemingsvermogen

 Ondernemingsvermogen  Vrijstelling
 € 0 - € 1.071.987  100%
 € 1.071.987 - en hoger  83% voorzover boven de € 1.071.987

4 Successiewet

4.1 Gevolgen van aangaan of wijzigingen huwelijkse voorwaarden voor schenk- en erfbelasting

De wetgever heeft de wens taxplanning door middel van huwelijkse voorwaarden waarin wordt afgeweken van een gelijke gerechtigdheid tot gemeenschappelijke goederen in te perken. Daartoe beoogde het oorspronkelijke wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017 duidelijker in de Successiewet vast te leggen in welke gevallen het huwen, het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden (dan wel geregistreerd partnerschapsvoorwaarden of notarieel samenlevingscontract) kan leiden tot verschuldigdheid van schenk- of erfbelasting. Voorafgaand aan de stemming in de Tweede Kamer over het wetsvoorstel is ook een amendement ingediend en aangenomen op basis waarvan de voorgestelde regeling in het wetsvoorstel is komen te vervallen.
In het hierna volgende wordt de oorspronkelijk voorgestelde regeling besproken. Mogelijk dat in de toekomst een deel van de voorgestelde regeling op een andere wijze toch van toepassing wordt. In het amendement wordt namelijk gehint om in een beleidsbesluit goed te keuren dat een verdeling van gezamenlijk vermogen dat de 50-50-grens niet overschrijdt geen schenking vormt. De kans daarop lijkt niet erg groot gelet op de reactie van de Staatssecretaris van Financiën in de Eerste Kamer op dit verzoek (EK 2017-18, 34785, D, p. 17-18). Hij schrijft:

'De mogelijkheden om bij beleidsbesluit de gevraagde duidelijkheid alsnog te bieden zijn beperkt. Ik ben echter bereid om in een beleidsbesluit te bevestigen dat het aangaan van een huwelijk volgens het vanaf 1 januari 2018 geldende wettelijke regime van een beperkte gemeenschap van goederen met gelijke delen niet leidt tot heffing van schenkbelasting. Ook zal ik hierin opnemen dat het aangaan van een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen met gelijke delen, hetgeen vanaf 1 januari 2018 alleen nog kan door het aangaan van huwelijkse voorwaarden, niet leidt tot heffing van schenkbelasting. Dat geldt eveneens als de algehele gemeenschap van goederen met gelijke delen tijdens het huwelijk ontstaat door het wijzigen van huwelijkse voorwaarden. Dit besluit kan in het eerste kwartaal van 2018 worden gepubliceerd. Voor alle overige situaties waarin huwelijkse voorwaarden worden aangegaan of worden gewijzigd, zal op basis van de huidige wetgeving aan de hand van de feitelijke situatie en de overeengekomen voorwaarden moeten worden bezien of mogelijk sprake is van een belaste schenking. Ook indien sprake is van het aangaan of wijzigen van een notarieel samenlevingscontract met een wederzijdse zorgverplichting zal op basis van de huidige wetgeving aan de hand van de feitelijke situatie en de overeengekomen voorwaarden worden bezien of mogelijk sprake is van een belaste schenking.'

Het oorspronkelijke wetsvoorstel hanteert als uitgangspunt dat echtgenoten hun vermogens zonder gevolgen voor de schenkbelasting kunnen samenvoegen in een huwelijksgemeenschap, of een verrekenbeding kunnen overeenkomen. Dit is alleen anders voor zover in het nieuw voorgestelde art. 6 of 11 SW hiervan wordt afgeweken (art. 1 lid 10 SW voorgesteld).

Het voorgestelde art. 6 SW regelt in welke gevallen het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden wel tot het constateren van een schenking leidt. Dit is het geval voor zover door het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden de gerechtigdheid van de minstvermogende partner in het totale vermogen hoger wordt dan 50% of de gerechtigdheid van de meestvermogende partner in het totale vermogen toeneemt (art. 6 lid 1 en 2 SW voorgesteld). In andere woorden: er wordt geen schenking geconstateerd als het aandeel van de minstvermogende in het totale vermogen door de verkrijging niet uitkomt boven 50% van het totale vermogen en het aandeel van de meestvermogende echtgenoot in het totale vermogen niet toeneemt. Bij het vaststellen van de omvang van de gerechtigdheid moet niet worden uitgegaan van het civiel juridische begrip gerechtigdheid, maar van een meer economische invulling (TK 2017-18, 34786, nr 6, Nota naar aanleiding van het verslag).
Voor de toepassing van deze regeling maakt het niet uit of echtgenoten een beperkte huwelijksgemeenschap of algehele huwelijksgemeenschap overeenkomen. Het aangaan van een beperkte gemeenschap bestaande uit één zaak (bijvoorbeeld alleen het woonhuis) leidt niet tot een schenking, mits de gerechtigdheid in het totale vermogen van de minstvermogende niet meer bedraagt dan 50%. Dit is een verruiming ten opzichte van de huidige situatie. In het besluit van 5 juli 2010 (nr DGB2010/872M, onderdeel 3.2) is het standpunt ingenomen dat het aangaan van een beperkte gemeenschap van alleen een pand leidt tot een schenking, ongeacht het overig aanwezige vermogen.

Bij de toepassing van art. 6 SW wordt geen onderscheid gemaakt of het huwelijksvermogensrecht dat tussen partijen geldt het Nederlands huwelijksvermogensrecht is of dat van een andere mogendheid.

Of sprake is van een schenking wordt bepaald op het moment van het aangaan of wijzigen van de huwelijkse voorwaarden, ook wordt de omvang van de schenking op dat moment bepaald. Daaraan is inherent dat de waarde van de schenking op het moment van het opstellen of wijzigen van de huwelijkse voorwaarden hoger of lager kan zijn dan de waarde op het moment van de civielrechtelijke verkrijging. Volgens de parlementaire toelichting is het niet praktisch en niet uitvoerbaar om aan te sluiten bij de uiteindelijke uitkomsten bij het einde van het huwelijk.
Als een schenking is vastgesteld, is het mogelijk dat een vrijstelling van art. 33 SW van toepassing is. In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt ingegaan op de situatie dat echtgenoten overeenkomen dat de chronisch zieke minstvermogende partner een groter deel van de gemeenschap krijgt of een vast bedrag indien het huwelijk eindigt door scheiding. Onder het voorgestelde art. 6 SW leidt dit tot een schenking. Indien de echtgenoten slagen in hun bewijslast dat wordt voldaan aan een natuurlijke verbintenis, is deze schenking vrijgesteld op grond van art. 33 onder 12 SW.
Op vragen van de NOB heeft de Staatssecretaris van Financiën geantwoord dat de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing kan zijn als sprake is van een fictieve verkrijging die ziet op een huwelijksgoederengemeenschap met ongelijke delen als bedoeld in art. 6 of 11 SW (MvF 2 november 2017, nr 2017-0000210280, p. 27). Uiteraard moet dan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor die regeling.

Onder het totale vermogen worden verstaan de privévermogens van beide echtgenoten en hun gemeenschappelijke vermogen (art. 6 lid 3 SW voorgesteld). Van het totale vermogen zijn uitgezonderd: (i) vermogen dat is verkregen onder een uitsluitingsclausule (niet van belang is of de uitsluitingsclausule verbintenisrechtelijke of goederenrechtelijke werking heeft), (ii) vermogen dat is verknocht en (iii) aanspraken ingevolge een (netto)pensioenregeling als bedoeld in art. 32 lid 3 SW en (netto)lijfrenten als bedoeld in art. 32 lid 4 SW. Onder deze laatste categorie valt ook de oudedagsvoorziening (ODV) die is ontstaan in het kader van het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer (MvF 2 november 2017, nr 2017-0000210280, p. 25). In het oorspronkelijke wetsvoorstel waren uitgezonderd vermogen uit pensioenrechten waarop de Wet VPS van toepassing is wanneer deze wet niet is uitgesloten door de partners, alsmede pensioenrechten die verband houden met rechten op nabestaandenpensioen. Dit leidde echter tot een verschil in behandeling tussen ongehuwde samenwoners en gehuwden en ook ontstond binnen de groep gehuwden een verschil in behandeling. Ter voorkoming van deze ongelijke behandeling is de derde uitzondering aangepast bij Nota van wijziging.
Vermogen dat volgens het BW tot een huwelijksgemeenschap kan behoren, telt mee voor de bepaling van het totale vermogen, ook al is dit vermogen bij huwelijkse voorwaarden feitelijk niet in de huwelijksgemeenschap ingebracht.
In de parlementaire toelichting is niet toegelicht of bij bepaling van het totale vermogen moet worden aangesloten bij de waarde in het economische verkeer of de waarderingsregeling van art. 21 SW. De redactie van Via Juridica acht het aannemelijk dat moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer, aan de waarderingsregeling van art. 21 SW wordt immers pas toegekomen als een schenking is geconstateerd.

In een brief van 16 november 2017 (TK 2017-18, 34785, nr 25) gaat de Staatssecretaris van Financiën in op de situatie dat een echtgenoot vermogen heeft waarvan het de wens is dat het privévermogen blijft en dus niet in de huwelijksgemeenschap valt, terwijl dat volgens art. 6 lid 3 SW wel tot het toetsvermogen behoort. Het hierna volgende ziet dus niet op vermogen van partners dat onder uitsluitingscalusule is verkregen, op verknocht vermogen en op pensioenvermogen. Door tot het toestvermogen behorend privévermogen (bijvoorbeeld oma's sieraden) niet in de huwelijksgemeenschap in te brengen, kan sprake zijn van een schenking. Uit de voorbeelden die in zijn brief zijn opgenomen wordt duidelijk hoe in die situatie een schenking wordt voorkomen. Dit is alleen mogelijk wanneer elke partner een zelfde (waarde)bedrag buiten de inbreng in de huwelijksgemeenschap en dus privé houdt. Ter illustratie geeft de staatsecretaris een aantal voorbeelden waarvan hierna één is opgenomen. De andere voorbeelden leiden tot dezelfde hiervoor gegeven conclusie dat beide partners exact hetzelfde bedrag aan toetsvermogen buiten de inbreng moeten houden waarbij het niet van belang is of partners een heel groot of juist klein verschil in vermogensomvang hebben.

Voorbeeld
A en B gaan trouwen. Het vermogen van A bestaat uit een oldtimer (€ 20.000) die A privé wil houden. B heeft een vermogen van € 100.000 en nog € 30.000 verkregen uit een erfenis met uitsluitingsclausule. Als bij huwelijkse voorwaarden wordt bepaald dat het tot het toetsvermogen behorende vermogen van B wel in de huwelijksgemeenschap valt en het vermogen van A niet, is sprake van een schenking van B aan A van € 10.000. Het totale toetsvermogen bedraagt immers € 20.000 + € 100.000 = € 120.000, 50% daarvan is € 60.000. De gerechtigdheid van A in het totale vermogen heeft een waarde van € 70.000, bestaande uit de oldtimer en de gerechtigdheid in de huwelijksgemeenschap.
De schenking van B aan A kan worden voorkomen doordat in de huwelijkse voorwaarden wordt opgenomen dat B slechts € 80.000 inbrengt in de huwelijksgemeenschap en € 20.000 privé houdt. De civiele gerechtigdheid in gemeenschap (zijnde voor A en B ieder in totaal € 60.000) komt dan overeen met de fiscale 'gerechtigdheid' (50% van € 120.000 = € 60.000) zodat geen sprake is van een schenking.

Als in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de gerechtigdheid tot het totaal van de vermogens zonder wijziging van de huwelijkse voorwaarden kan veranderen, dan wordt voor bepaling van de omvang van de schenking uitgegaan van de hoogste mate van gerechtigdheid die op basis van de huwelijkse voorwaarden kan ontstaan bij een ontbinding van het huwelijk tijdens leven (art. 6 lid 4 SW voorgesteld, zie ook voorbeeld 11 in de Memorie van toelichting, TK 2017-18, 34786, nr 3, p. 57).
Stel dat de echtgenoten in hun huwelijkse voorwaarden opnemen dat de minstvermogende na tien jaar huwelijk is gerechtigdheid tot 70%. Bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden wordt een schenking geconstateerd en wordt voor de omvang uitgegaan van de hoogste te bepalen gerechtigdheid. In de Nota naar aanleiding van het verslag heeft de Staatssecretaris van Financiën aangekondigd bij beleidsbesluit goed te keuren dat indien het huwelijk eerder eindigt dan het moment waarop de hoogste gerechtigdheid wordt bereikt art. 53 SW analoog wordt toegepast, zodat de minstvermogende partner (begiftigde) recht heeft op teruggaaf van schenkbelasting (TK 2017-18, 34786, nr 6).

In het voorgestelde zesde lid van art. 6 SW is opgenomen dat indien huwelijkse voorwaarden worden aangegaan of gewijzigd met als hoofddoel het ontgaan van schenk- of erfbelasting, iedere uitbreiding van de gerechtigdheid tot het totale vermogen wordt aangemerkt als een schenking. De 50-50 verhouding speelt dan geen rol. De bewijslast dat hiervan sprake is, rust op de inspecteur. Alleen als het fiscale motief leidend is en de inspecteur dit kan bewijzen, wordt het huwelijk of de huwelijkse voorwaarden genegeerd voor de vraag of sprake is van een belaste vermogensverschuiving. In de parlementaire toelichting worden als aanwijzingen dat het ontgaan van schenk- of erfbelasting het hoofddoel is van het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden genoemd: de duur van het huwelijk, de omvang van het verschil tussen de vermogens, een groot leeftijdsverschil tussen de echtgenoten of de aanwezigheid van een familieband.
Wordt een schenking geconstateerd, dan worden de echtgenoten voor de toepassing van de Successiewet niet aangemerkt als partners. In dat geval is dus het derdentarief van toepassing.
In de Nota naar aanleiding van het verslag is nader ingegaan op dit onderdeel (TK 2017-18, 34786, nr 6). Daaruit kan worden afgeleid dat als sprake is van een reële relatie en de partners in het zicht van beëindiging van hun relatie dan wel overlijden van een van hen, een huwelijk aangaan met beperkte gemeenschap van goederen (in geval van samenwoners) of huwelijkse voorwaarden wijzigen (in geval van gehuwden) gericht op besparing van belasting geen sprake is van een schenking, mits de 50%-grens niet wordt overschreden. Het volgende voorbeeld is opgenomen: A en B zijn tien jaar gehuwd in koude uitsluiting. Kort voor de echtscheiding worden de huwelijkse voorwaarden gewijzigd, waardoor een beperkte gemeenschap ontstaat. Deze wijziging is gericht op belastingbesparing. Volgens de Staatssecretaris van Financiën is art. 6 lid 6 SW in dit geval niet aan de orde. Dat is volgens de staatssecretaris evenmin het geval als A en B al tien jaar samenwonen en huwen vlak voor het overlijden van een van hen om erfbelasting in hun geboorteland te besparen.

De voorgestelde wijziging met betrekking tot art. 11 SW ziet op de situatie dat de gerechtigdheid tot het totale vermogen krachtens huwelijkse voorwaarden als gevolg van het overlijden uitgaat boven de 50%-grens. Hetgeen meer wordt verkregen dan de helft wordt aangemerkt als een fictieve verkrijging krachtens erfrecht. Indien de meestvermogende echtgenoot onmiddellijk voor het overlijden reeds was gerechtigd tot meer dan 50% van het totale vermogen dan wordt alleen hetgeen hij daarboven krijgt als fictieve verkrijging aangemerkt. Voor de bepaling van de omvang van het totale vermogen wordt verwezen naar het hiervoor besproken voorgestelde derde lid van art. 6 SW. Waarbij wordt opgemerkt dat voor de toepassing van art. 11 SW wel een verschil wordt gemaakt tussen een zachte en een harde uitsluitingsclausule. Een goed dat is verkregen onder een zachte uitsluitingsclausule (ofwel het goed valt alleen in de gemeenschap of wordt in een verrekening betrokken als het huwelijk eindigt door overlijden), wordt betrokken in de vaststelling van het totale vermogen. De reden hiervoor is dat het huwelijk dan is ontbonden door overlijden waardoor de uitsluitingsclausule is vervallen.

In de artikelsgewijze toelichting zijn diverse voorbeelden opgenomen hoe de nieuwe regeling zal uitwerken (TK 2017-18, 34786, nr 3, p. 51 e.v.). De huidige inhoud van art. 6 SW wordt verplaatst naar art. 11 lid 8 SW.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2018, artikel XI, A, B en C

Aan een verkrijger krachtens schenking of erfrecht kan zowel een reguliere belastingaanslag als een conserverende belastingaanslag worden opgelegd. Dit zijn op grond van art. 37 lid 2 SW twee afzonderlijke belastingaanslagen. Indien de reguliere belastingaanslag wordt verlaagd, kan het zo zijn dat bij dezelfde verkrijger via een conserverende navorderingsaanslag moet worden nagevorderd. Dit is echter niet altijd mogelijk door het verstrijken van de daarvoor geldende termijn of doordat reeds een conserverende aanslag is opgelegd. Ook de omgekeerde situatie kan zich voordoen. Op basis van het huidige art. 52 SW is niet duidelijk of navordering mogelijk is als reeds aan dezelfde verkrijger een reguliere of conserverende navorderingsaanslag is opgelegd. Daarom wordt voorgesteld in art. 52 SW op te nemen dat navordering ook mogelijk is indien een vermindering van een belastingaanslag bij dezelfde verkrijger moet leiden tot het opleggen van een reguliere of conserverende navorderingsaanslag.

Voorgesteld wordt om deze wijziging onmiddellijke werking te geven zodat deze ook van toepassing is indien de vermindering voor 1 januari 2018 heeft geplaatsgevonden. Dit betekent volgens de Nota naar aanleiding van het verslag dat vanaf 1 januari 2018 een navorderingsaanslag kan worden opgelegd indien de vermindering van de andere belastingaanslag nog geen vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden (TK 2017-18, 34786, nr 6).

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2018, artikel XI, D

4.3 Termijn opleggen aanslag bij schenking indien buiten de aangiftetermijn aangifte is gedaan

Voorgesteld wordt om wanneer de aangifte schenkbelasting wordt gedaan meer dan vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden, de aanslagtermijn voor de schenkbelasting te laten ingaan na de dag van het doen van aangifte. Het betreft een aanpassing van art. 66 SW. Hiermee moet worden voorkomen dat het opleggen van een aanslag schenkbelasting niet meer mogelijk zou zijn in de situatie dat iemand zonder voorafgaande uitnodiging aangifte doet waarbij geen termijn is gesteld voor het doen van de aangifte. Gelet op de huidige regelgeving in art. 11 en 16 AWR bestaat in die situatie het risico dat de aanslagtermijn is verlopen op het moment dat pas vele jaren na de schenking aangifte wordt gedaan. Voorgesteld wordt deze wijziging met onmiddellijke werking te laten ingaan waardoor de wijziging geldt voor alle vanaf 1 januari 2018 op te leggen aanslagen. Uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt dat hiermee wordt bedoeld dat de nieuw aanslagtermijn zal gelden voor alle (navorderings)aanslagen schenkbelasting die vanaf 1 januari 2018 worden opgelegd (TK 2017-18, 34786, nr 6).

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2018, artikel XI, E  

5 Inkomstenbelasting

5.1 Pleegkind op verzoek geen partner van pleegouder

In het voor de inkomstenbelasting geldende partnerbegrip is bepaald dat de bloed- of aanverwant in de eerste graad van de belastingplichtige niet als partner van de belastingplichtige wordt aangemerkt, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt (art. 1.2 lid 4 onder a Wet IB 2001). Dit betekent dat een kind dat jonger is dan 27 jaar voor de inkomstenbelasting niet als partner van zijn vader of moeder kan kwalificeren. Dit geldt ook voor pleegkinderen (zie art. 1.4 Wet IB 2001), waarvan volgens de Hoge Raad sprake is als het betreft kinderen die worden onderhouden en opgevoed als eigen kinderen (zie HR 26 juni 1968, nr 15911, ECLI:NL:HR:1968:AX6865, BNB 1968/167, brondocument niet beschikbaar).

Als voor een inwonend kind een pleegvergoeding wordt ontvangen op grond van de Jeugdwet of de Wet op de jeugdzorg, voldoet de verzorgende ‘ouder’ op dat moment niet aan het onderhoudsvereiste. De kosten van levensonderhoud worden immers gedragen door het Rijk. In fiscale zin is dan geen sprake van een pleegkind. Het is mogelijk dat een kind in die specifieke situatie na het bereiken van de 18-jarige leeftijd wél als partner van de verzorgende ouder wordt aangemerkt. Dit kan zich voordoen als deze ouder geen partner heeft en tevens een ander eigen minderjarig eigen kind op het adres van de verzorgende ouder staat ingeschreven. Dit partnerschap kan gevolgen hebben in de inkomstenbelasting en voor de toeslagen. Het hangt van de individuele situatie af of een en ander voor- of nadelen meebrengt voor de betrokkenen.

Voorgesteld wordt om aan art. 1.2 lid 4 Wet IB 2001 een nieuw onderdeel c toe te voegen dat het mogelijk maakt dat kinderen voor wie een pleegzorgvergoeding wordt verstrekt of in het verleden werd verstrekt, op verzoek niet als partner van de pleegouder worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting. Voorgesteld wordt deze afwijking van de hoofdregel eveneens te laten gelden voor kinderen voor wie de verzorgende ouder in enig jaar kinderbijslag heeft ontvangen, maar die niet (meer) kwalificeren als pleegkind (en ook geen eigen kind van de verzorgende ouder zijn). Ook in die gevallen is het namelijk mogelijk dat na het door dat kind bereiken van de 18-jarige leeftijd partnerschap ontstaat met de alleenstaande verzorgende ouder als er ook nog een ander eigen minderjarig kind op hetzelfde woonadres staat ingeschreven.

Het verzoek om niet als partner te worden aangemerkt moet éénmalig worden gedaan, een besluit van de Inspecteur om de belastingplichtige en het kind niet als partners te beschouwen geldt vervolgens totdat het kind 27 jaar wordt. Op een gedaan verzoek kan niet in een later jaar worden teruggekomen. Voor de Algemene wet inkomensafhankelijke toeslagen (de toeslagen) wordt een vergelijkbare aanpassing in het partnerbegrip voorgesteld.

In de Nota naar aanleiding van het verslag is toegezegd dat bij beleidsbesluit deze maatregel met terugwerkende kracht wordt ingevoerd, zodat deze mogelijkheid ook al geldt voor het jaar 2017 (TK 2017-18, 34786, nr 6). In het op 21 november 2017 gepubliceerde besluit (nr 2017-18782) is deze goedkeuring opgenomen. Op grond van dit besluit worden een verzorgende ouder of pleegouder en een niet-eigen kind op verzoek voor de inkomstenbelasting en de toeslagen niet als elkaars fiscaal partners aangemerkt voor het jaar 2017. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, zijn opgenomen in het besluit.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2018, artikel I, A en artikel III, A

5.2 Vervallen tijdklemmen Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen

Een van de voorwaarden om een vrijstelling voor een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), een spaarrekening eigen woning (SEW) of een beleggingsrecht eigen woning (BEW) te kunnen benutten was dat ten minste vijftien of twintig jaren jaarlijks premie was voldaan. Deze zogenoemde tijdklemmen zijn met ingang van 1 april 2017 voor een KEW, SEW en BEW vervallen. In onderdeel 4.2 van het beleidsbesluit van 15 mei 2017 (nr 2017-81019) is goedgekeurd dat de voor een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering geldende vergelijkbare tijdklemmen van art. 26a Wet IB 1964 ook per 1 april 2017 vervallen en dat de wet daarop zal worden aangepast. Dit omdat de achtergrond van de tijdklemmen bij zowel de KEW, SEW en BEW enerzijds als de Brede Herwaarderingskapitaalsverzekeringen anderzijds dezelfde is en er daarom fiscaal gezien geen reden is hierin een onderscheid aan te brengen. Voorgesteld wordt de goedkeuring met ingang van 1 januari 2018 te codificeren in hoofdstuk 2, art. 1, onderdeel AM Invoeringswet wet IB 2001. De twee vrijstellingsbedragen van art. 26a lid 2 Wet IB 1964 blijven bestaan. Deze bedragen cumuleren, zodat op een uitkering uit een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering steeds de maximumvrijstelling van € 123.428 van toepassing is, ongeacht de termijn van premiebetaling.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2018, artikel II, B

5.3 Multiplier voor giften aan culturele instellingen structureel per 1 januari 2018

Met ingang van 1 januari 2012 geldt een verhoogde giftenaftrek in zowel de inkomstenbelasting (art. 6.39a Wet IB 2001) als de vennootschapsbelasting (art. 16 lid 3 Wet VPB) voor giften aan culturele instellingen (de zogenaamde ‘multiplier giftenaftrek’). Het doel van de multiplier giftenaftrek is om giften aan culturele instellingen (tijdelijk) extra te stimuleren. Voor de multiplier giftenaftrek in zowel de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting is voorzien in een horizonbepaling (art. 10b.1 Wet IB 2001 en art. 35 Wet Vpb). Op grond van die horizonbepaling vervalt de multiplier giftenaftrek in beide belastingwetten met ingang van 1 januari 2018.

Recent is een evaluatie van de giftenaftrek uitgevoerd. Deze evaluatie is door de Tweede Kamer echter controversieel verklaard, zodat een besluit over de vraag of de multiplier giftenaftrek al dan niet moet worden gecontinueerd, momenteel niet kan worden genomen. Daarom wordt voorgesteld om de geldigheidsduur van de regeling van de multiplier giftenaftrek in zowel de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting met een jaar tot 1 januari 2019 te verlengen. In verband met staatssteunaspecten wordt deze verlenging ter goedkeuring voorgelegd aan de Europese Commissie. Gelet op het feit dat bij de introductie van de multiplier giftenaftrek de Europese Commissie haar goedkeuring heeft verleend, verwacht de redactie van Via Juridica, evenals de Staatssecretaris van Financiën op dit punt geen problemen (TK 2017-18, 34786, nr 6).

Bij amendement is dit voorstel echter zodanig gewijzigd dat de horizonbepalingen komen te vervallen. Hierdoor wordt de multiplier giftenaftrek voor giften aan een culturele instelling structureel van aard. Wel dient deze aanpassing vanwege staatssteun ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de Europese Commissie (TK 2017-18, 34786, nr 8 en 9).

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2018, artikel I, G  en artikel VII, K

6 Registratiewet

6.1 Elektronisch aanleveren van bepaalde testamenten en annexen bij notariële akten

Het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2018 bevat enkele wijzigingen van de Registratiewet 1970 die samenhangen met de lopende digitalisering van de processen rond de registratie van notariële akten. Omdat de voorgestelde maatregelen betrekking hebben op de rol van de KNB en de werkzaamheden van individuele notarissen bij de registratie van notariële akten, is dit voorstel tot stand gekomen in nauwe samenwerking met het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de KNB. De voorgestelde wijzigingen maken het mogelijk testamenten die al naar de algemene bewaarplaats voor notariële akten zijn overgebracht en annexen bij notariële akten elektronisch aan te leveren. De voorgestelde wijzigingen zijn zowel in het belang van de Belastingdienst, die de informatie op deze wijze efficiënter kan gebruiken voor de uitvoering van de belastingwetgeving, als van het notariaat, dat op deze wijze de testamenten die al naar de algemene bewaarplaats zijn overgebracht en de annexen zo eenvoudig mogelijk kan aanleveren. De voorgestelde wijziging van de Registratiewet 1970 bestaat uit een drietal maatregelen (o.a. wijziging van art. 1 en 4 RW en de introductie van een nieuw art. 7b RW). De eerste maatregel houdt een digitale voorziening voor de Belastingdienst in om toegang te krijgen tot testamenten of vergelijkbare akten in de gevallen waarin het overlijden van de erflater plaatsvindt nadat het testament of een andere akte al is overgebracht naar de algemene bewaarplaats voor notariële akten. De tweede maatregel regelt dat in die gevallen een elektronische kopie van de akte wordt geregistreerd in plaats van een elektronisch afschrift. Hierdoor is waarmerking door een notaris niet meer vereist. De derde maatregel houdt in dat de Belastingdienst langs elektronische weg eventuele aan de notariële akte gehechte stukken (annexen) ontvangt in plaats van dat deze stukken per post moeten worden toegezonden.

Aan de maatregelen wordt pas daadwerkelijk uitvoering gegeven als de ondersteunende geautomatiseerde processen en infrastructuur voor deze maatregelen gereed zijn, naar verwachting in de loop van 2018.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2018, artikel XII  

7 Omzetbelasting

7.1 Afschaffing btw-landbouwvrijstelling

Landbouwers (waaronder begrepen tuinbouwers, bosbouwers en veehouders) kunnen onder de huidige wet kiezen voor toepassing van de landbouwvrijstelling waardoor zij buiten de heffing van omzetbelasting blijven en geen btw-administratie hoeven bij te houden (art. 27 Wet OB). De regeling voorziet in een landbouwforfait om cumulatie van omzetbelasting in de bedrijfskolom te voorkomen. Ondernemers aan wie een landbouwer landbouwprestaties heeft verricht kunnen 5,4% van de verkoopprijs hiervan in aftrek brengen. Thans bestaat volgens de wetgever aan deze regeling geen behoefte meer. Daarom wordt voorgesteld de landbouwvrijstelling met het daaraan gekoppelde landbouwforfait per 1 januari 2018 af te schaffen. Hierdoor krijgen landbouwers recht op aftrek van omzetbelasting, moeten zij omzetbelasting afdragen over de verrichte prestaties en worden ze verplicht om een btw-administratie bij te houden.

Voor landbouwers die tot 1 januari 2018 van de huidige vrijstelling gebruikmaken is voorzien in overgangsrecht. Indien reeds voor 1 januari 2018 een investeringsgoed (roerende en onroerende zaken) in gebruik is genomen kan de landbouwer de bij aanschaf niet afgetrokken omzetbelasting onder voorwaarden in het eerste belastingtijdvak van 2018 in één keer voor de nog resterende jaren van de herzieningsperiode in aftrek brengen. Landbouwers met een op 1 januari 2018 reeds aangeschaft maar nog niet in gebruik genomen investeringsgoed kunnen de omzetbelasting over dit aangeschafte investeringsgoed in het eerste belastingtijdvak van 2018 in een keer volledig in aftrek te brengen. Vervolgens is in beide gevallen de normale herzieningsregeling van toepassing.

Vindplaats: Wet afschaffing van de btw-landbouwvrijstelling, artikel I en art. V  

8 Algemene wet rijksbelastingen

8.1 Afschaffing inkeerregeling voor alleen spaarders met buitenlands vermogen

Onder de huidige wet wordt in het kader van de inkeerregeling geen vergrijpboete opgelegd wanneer een belastingplichtige uiterlijk twee jaar nadat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of aangifte had moeten doen, alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden (art. 67n AWR). Inkeer na het verstrijken van de tweejaarsperiode maar voordat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, leidt tot matiging van de vergrijpboete. Sinds 1 juli 2016 bedraagt de boete ten aanzien van verzwegen box 3-vermogen maximaal 120% van de verschuldigde belasting, in overige gevallen waarin te weinig belasting is geheven, bedraagt na matiging de vergrijpboete 60% van de verschuldigde belasting. Dit geldt alleen voor aanslagbelastingen zoals de schenk- en erfbelasting, de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting (paragraaf 7, lid 2 BBBB).

In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd voorgesteld de inkeerregeling in zijn geheel per 1 januari 2018 af te schaffen, waardoor ook bij inkeer binnen de tweejaarsperiode voordat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, een gematigde vergrijpboete zou worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Bij amendement is het wetsvoorstel zodanig gewijzigd dat de inkeerregeling alleen wordt afgeschaft ter zake van verzwegen inkomen uit sparen en beleggen dat in het buitenland wordt gehouden (TK 2017-18, 34786, nr 15). Voor deze 'zwartspaarders' zal gaan gelden dat bij inkeren voortaan altijd een gematigde vergrijpboete wordt opgelegd. Voor de andere gevallen blijft de inkeerregeling bestaan en wordt geen vergrijpboete opgelegd, mits aan de voorwaarden van art. 67n AWR wordt voldaan.

Ook de inkeerregeling die voor toeslagen bestaat (art. 42 Awir), wordt per 1 januari 2018 afgeschaft voor verzwegen inkomsten uit sparen en beleggen uit vermogen dat wordt gehouden in het buitenland. Deze inkeerregeling houdt in dat als de belastingplichtige, zijn partner of een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen alsnog de juiste en volledige gegevens en inlichtingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst/Toeslagen met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, geen boete zal worden opgelegd. Aan deze regeling is geen termijn verbonden.

De huidige inkeerregelingen blijven van toepassing voor wat betreft de fiscaliteit met betrekking tot aangiften die voor 1 januari 2018 zijn gedaan of hadden moeten zijn gedaan en met betrekking tot de inlichtingen, gegevens of aanwijzingen die voor 1 januari 2018 zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt, en voor wat betreft de toeslagen met betrekking tot de inlichtingen, gegevens of aanwijzingen die voor 1 januari 2018 zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen, artikel III, D, artikel XX, A en artikel XXIX  

9 Invorderingswet

9.1 Aansprakelijkheid voor omzetbelasting voor pand- en hypotheekhouders en executanten

In het Rentekas-arrest (HR 6 mei 1983, nr 12130, ECLI:NL:HR:1983:AW8883, brondocument niet beschikbaar) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in geval van verkoop van een met hypotheek bezwaarde zaak, de opbrengst van de bezwaarde zaak mede omvat het gedeelte van het door de koper betaalde bedrag dat betrekking heeft op de door de verkoper verschuldigde omzetbelasting, zodat de hypotheekhouder zich ook op dat deel kan verhalen. Voor executoriale verkopen door een pandhouder is door Hof Leeuwarden (29 mei 2002, nr 0000137, ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4419) in dezelfde zin geoordeeld. Algemeen wordt aangenomen dat deze lijn ook geldt in geval van executoriale verkoop op last van beslagleggende schuldeisers. In de praktijk betekent dit dat de Belastingdienst doorgaans achterblijft met een onverhaalbare omzetbelastingschuld bij de ondernemer wiens zaak is uitgewonnen, aangezien de ondernemer die ófwel al failliet is ófwel in betalingsproblemen verkeert, meestal niet in staat is de verschuldigde omzetbelasting te betalen.

Voorgesteld wordt dat de pandhouder, de hypotheekhouder en de executant die zich verhalen op de opbrengst van een zaak, aansprakelijk zijn voor het bedrag dat ter zake van de levering van die zaak aan omzetbelasting is verschuldigd (voorgesteld art. 42d Inv.). In beginsel blijft de plicht tot het betalen van de omzetbelasting rusten op de belastingschuldige wiens zaken worden geleverd. Pas als dat de belastingschuldige met betaling in gebreke blijft, krijgt de Belastingdienst de mogelijkheid om de pand- of hypotheekhouder of de executant die zich heeft verhaald op het door de koper betaalde bedrag, aansprakelijk te stellen voor het bedrag aan niet-betaalde omzetbelasting. Deze nieuwe aansprakelijkheidsbepaling is zowel van toepassing op leveringen die binnen faillissement als op leveringen die buiten faillissement worden gedaan.

In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt opgemerkt dat een tegenbewijsregeling niet nodig is, omdat de bewijslast dat de pand- of hypotheekhouder of de executant de omzetbelasting heeft ontvangen op de Belastingdienst rust (TK 2017-18, 34786, nr 6). Als de Belastingdienst dat niet kan bewijzen, kan de dienst ook niet overgaan tot aansprakelijkstelling van de pand- of hypotheekhouder of de executant. Bij amendement is aan de voorgestelde wetsbepaling toegevoegd dat de pand- of hypotheekhouder of de executant niet aansprakelijk kan worden gesteld als hij niet wist of behoorde te weten dat de omzetbelasting niet of niet volledig door de belastingschuldige is of zal worden voldaan (TK 2017-18, 34785, nr 34).
Een pand- of hypotheekhouder of executant is niet aansprakelijk, indien de verkoopopbrengst hem niet niet ten goede komt, maar bijvoorbeeld wordt gebruikt om het salaris van de curator te betalen.

In de artikelsgewijze toelichting wordt opgemerkt dat de Hoge Raad (15 maart 2013, nr 11/01760, ECLI:NL:HR:2013:BZ4072) een ruim begrip hanteert waar het betreft ‘het nemen van verhaal’. Daaronder wordt niet alleen verstaan de in de wet geregelde vormen van (parate) executie, maar bijvoorbeeld ook de op aandrang van de hypotheekhouder geëntameerde onderhandse verkoop door de hypotheekgever, waarbij niet is voldaan aan de voorwaarden die art. 3:268 lid 2 BW stelt. De aansprakelijk gestelde kan zich in beginsel verhalen op de in gebreke gebleven ondernemer. Deze regeling is bedoeld voor die situaties waarbij de verplichte verleggingsregeling van art. 12 Wet OB geen toepassing kan vinden. Bijvoorbeeld bij verkoop aan een particulier.

Vindplaats: Belastingplan 2018, artikel XI

10 Vennootschapsbelasting

10.1 Schrappen verlenging tarief schijf

Het Kabinet Rutte-III heeft de wens om het tarief voor de vennootschapsbelasting te verlagen naar 16% voor de eerste schijf en 21% voor de tweede schijf. Ter financiering van de met de verlaging gepaard gaande budgettaire derving, wordt de verlenging van de eerste tarief schijf zoals opgenomen in het Belastingplan 2017 teruggedraaid. Daarmee blijft de eerste tarief voor de vennootschapsbelasting staan op € 200.000.
Deze wijziging is opgenomen in de Nota van wijziging (TK 2017-18, 34785, nr 8).

11 Reeds bekende en vaststaande wijzigingen per 1 januari 2018

  • Verhoging van de pensioenrichtleeftijd en AOW-gerechtigde leeftijd naar 68 jaar.
  • Verdere beperking van de hypotheekrenteaftrek in de 4e belastingschijf tot 49,5%.
  • De Loan to value-ratio voor de bancaire financiering van de eigen woning daalt naar 100%.
  • Verlaging van de forfaitaire rendementspercentages in box 3, spaardeel 0,36% (dit was eerste 1,3% tijdens de behandeling van Belastingplan 2018 is dit percentage verder verlaagd) en beleggingsdeel 5,38%.
  • Verhoging van de heffingsvrije voet verhuurderheffing naar 50 woningen, verhoging van het tarief van de verhuurderheffing naar 0,591%. Verder de invoering van een maximale WOZ-waarde van € 250.000 per woning en uitsluiting van rijksmonumenten van de heffingsgrondslag.