LOADING  
Fiscaal
Civiel

Belastingpakket 2021

Belastingpakket 2021

Dit thema maakt onderdeel uit van het kennisdossier: Belastingpakketten Mail a friend
Bijgewerkt tot 13 november 2020
De redactie

1 Inleiding

Op 15 september 2020 is het Belastingpakket 2021 gepresenteerd. Dit pakket bestaat onder meer uit het Belastingplan 2021, de Wet Overige fiscale maatregelen 2021, de Wet differentiatie overdrachtsbelasting en de Wet aanpassing box 3. Deze toelichting wordt gedurende het wetgevingsproces voortdurend aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. 

Op 12 november 2020 heeft de Tweede Kamer alle wetsvoorstellen van het Belastingpakket 2021 aangenomen. Medio december zal de Eerste Kamer stemmen over de wetsvoorstellen.

2 Kamerstukken

Via onderstaande links kunt u de parlementaire stukken van de wetsvoorstellen raadplegen:

3 Overdrachtsbelasting

3.1 Algemeen

In het wetsvoorstel Wet differentiatie overdrachtsbelasting is een aantal ingrijpende wijzigingen voor de heffing van overdrachtsbelasting voorgesteld. Aan art. 13 WBR wordt een vierde lid toegevoegd, de tekst van art. 14 WBR (tarief) wordt volledig herschreven, in art. 15 lid 1 onderdeel p WBR wordt een startersvrijstelling in het leven geroepen en via een nieuw art. 15a WBR wordt geregeld dat voortaan een schriftelijke verklaring omtrent gebruik van de woning onderdeel wordt van de aangifte overdrachtsbelasting. 

Op 12 november heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet differentiatie overdrachtsbelasting aangenomen en voorts zijn met betrekking tot dit wetsvoorstel drie amendementen aangenomen.

De beoogde inwerkingtredingsdatum van de tariefswijzigingen en andere aanpassingen is 1 januari 2021, met uitzondering van de inwerkingtredingsdatum van de woningwaardegrens van € 400.000, welke is gesteld op 1 april 2021.

3.2 Aanpassing algemeen tarief naar 8% (art. 14 lid 1 WBR)

In 2019 was in de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord al voorgesteld om het algemene tarief per 1 januari 2021 te verhogen naar 7%. In afwijking hiervan heeft de wetgever nu voorgesteld het algemene tarief per deze datum te verhogen van 6% naar 8%. Doordat ook de vereisten voor toepassing van het 2%-tarief worden aangepast, zal onder toepassing van de nieuwe regeling als uitgangspunt gelden dat ook over de verkrijging van een woning 8% overdrachtsbelasting wordt geheven, tenzij is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het tarief van 2%. Kortom: het algemene tarief van 8% geldt voor niet-woningen en woningen die niet onder het verlaagde tarief van 2% vallen. Hierna volgt meer informatie over de aanpassing van de vereisten voor toepassing van het verlaagde tarief.

3.3 Beperking reikwijdte van het tarief van 2% (art. 14 leden 2 t/m 4 WBR)

3.3.1 Algemeen

In de voorgestelde regeling worden de vereisten om in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief van 2% aangescherpt.
Het tarief van 2% kan alleen worden toegepast als een woning wordt verkregen door een natuurlijk persoon, die de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Het verlaagde tarief van 2% kan niet worden toegepast als sprake is van een verkrijging van economische eigendom of van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon (art. 4 WBR).
Dat de verkrijger de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf wil gaan gebruiken zal op het moment van de verkrijging door de verkrijger duidelijk, stellig en zonder voorbehoud tot uitdrukking moeten worden gebracht middels een schriftelijke verklaring.
Die verklaring zal onderdeel uitmaken van de aangifte. Bij ministeriële regeling zullen nadere regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van aanlevering van de schriftelijke verklaring. Ingeval de notaris degene is die de aangifte voor de verkrijger verzorgt, zal de verkrijger de getekende verklaring aan de notaris overleggen, zodat de notaris deze verklaring mee kan nemen voor de aangifte. Bij de startersvrijstelling gebeurt dat in beginsel altijd, aangezien deze – behalve in het geval van verkrijging van lidmaatschapsrechten – alleen kan worden toegepast als de juridische eigendom wordt verkregen, wat alleen mogelijk is via het passeren van de akte bij de notaris. Het toetsingsmoment voor de vraag of de verkrijger de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken is het moment waarop de woning wordt verkregen. Voorts zal de verklaring direct voorafgaand aan het passeren van de notariële akte moeten worden afgegeven. Het moment waarop de koopovereenkomst wordt getekend is voor de afgifte van de schriftelijke verklaring niet relevant.
Ingeval de verkrijger zelf aangifte doet, dient de verkrijger de verklaring zelf op te nemen in de aangifte.

Wooncoöperaties

De Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen waarin is bepaald dat wooncoöperaties per 1 januari 2021 worden uitgezonderd van de verhoging van het tarief van de overdrachtsbelasting naar 8%, wanneer zij huizen van woningcorporaties overkopen en dat in plaats daarvan op deze verkrijgingen het verlaagde tarief van 2% van toepassing is. Voorwaarden hiervoor zijn:

  • er is sprake van een verkrijging van een woning in de zin van art. 14 lid 2 WBR;
  • de verkrijger is een wooncoöperatie, als bedoeld in art. 18a Woningwet gelezen in samenhang met de artt. 2, 3 en 4 Besluit toegelaten instellingen volkshuisvestingen;
  • de vervreemder is een toegelaten instelling als bedoeld in art. 19 Woningwet (woningcorporatie);
  • voor de vervreemding van de woning is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties een goedkeuring verleend als bedoeld in art. 27 lid 1 onderdeel a Woningwet in het kader van een experiment als bedoeld in art. 120a Woningwet. Voorwaarden voor deze goedkeuring zijn zonder meer dat uitsluitend de leden van de wooncoöperatie in de verkregen woningen hun hoofdverblijf kunnen hebben en dat de statuten van de wooncoöperatie de governance, woningtoewijzing aan nieuwe leden van buitenaf en een meerderheid van huishoudens onder de toewijzingsgrens waarborgen.

Het verlaagde tarief van 2% geldt tevens voor aanhorigheden die tot de verkregen woning behoren, indien zij gelijktijdig met deze woning worden verkregen.   

3.3.2 Controle

Na twaalf maanden kan de inspecteur in de meeste gevallen een goede beoordeling maken of aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief of de startersvrijstelling is voldaan. De beoordeling zal plaatsvinden door een onderzoek naar de feiten en omstandigheden. Hiervoor zijn verschillende objectieve gegevens als eerste aanknopingspunt beschikbaar. Voorbeelden daarvan zijn de inschrijving door de verkrijger op het adres van de aangekochte woning in de Basisregistratie Personen, het aanmerken van de aangekochte woning als eigen woning in de zin van de eigenwoningregeling in de aangifte inkomstenbelasting, het woningbezit van de verkrijger in het Kadaster en de voorwaarden waaronder de verkrijger een geldlening is aangegaan bij een bank. Ook zal het afgeven van meerdere schriftelijke verklaringen bij verkrijgingen door dezelfde natuurlijke persoon binnen een relatief korte tijd, bijvoorbeeld enkele maanden, aanleiding kunnen zijn voor de inspecteur om nader onderzoek te doen. Bij natuurlijke personen die na de overdracht de woning minimaal een half jaar daadwerkelijk als hoofdverblijf hebben gebruikt, zal het verlaagde tarief of de startersvrijstelling in beginsel van toepassing zijn. Dit neemt niet weg dat geen strikte minimumtijd geldt dat de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf moet worden gebruikt na de verkrijging van de woning. 
Zie hierna onderdeel 3.6 voor de gevolgen voor de heffing van overdrachtsbelasting als later blijkt dat de verkrijger de woning niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken.

Het kan voorkomen dat verkrijgers na de verkrijging de woning niet direct als hoofdverblijf gebruiken, omdat eerst enige verbouwingen worden gedaan. Mocht het zijn dat een verbouwing langere tijd in beslag neemt, dan kan het zijn dat de inspecteur contact opneemt, omdat uit de objectieve gegevens niet blijkt dat de verkrijger de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken. In dat geval kan een verkrijger met een nog in gang zijnde verbouwing aannemelijk maken dat de woning toch is gekocht om anders dan tijdelijk te gaan gebruiken als hoofdverblijf. Wel zal de verkrijger de woning na voltooiing van de verbouwing daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf moeten gaan gebruiken. 

3.3.3 Woningen

Voor de toepassing van het 2%-tarief moet sprake moet zijn van een verkrijging van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen, of van rechten van lidmaatschap van een vereniging of coöperatie, voor zover deze rechten betrekking hebben op een woning. Bij laatstgenoemde lidmaatschapsrechten moet worden gedacht aan de rechten die een natuurlijk persoon kan verkrijgen in een zogenoemde flatexploitatievereniging.
Anders dan onder de huidige regeling kan het 2%-tarief niet worden toegepast als sprake is van de verkrijging van economische eigendom of de verkrijging van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon (zoals bedoeld in art. 4 lid 1 onder a WBR).

3.3.4 Aanhorigheden

Onder de nieuwe regeling wordt in art. 14 lid 4 WBR bepaald dat het verlaagde tarief van 2% alleen kan worden toegepast op aanhorigheden die tot de woning behoren, indien zij gelijktijdig met de woning waarop het 2%-tarief van toepassing is, worden verkregen. Als aanhorigheden tegelijkertijd met de woning worden verkregen, maar in een aparte akte, is het lage tarief van 2% (of de startersvrijstelling) van toepassing. Dit geldt ook als de woning en de aanhorigheid worden verkregen van twee verschillende verkopers, mits de juridische verkrijging van beide zaken gelijktijdig plaatsvindt. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid mag onder gelijktijdig worden verstaan: op dezelfde dag. Als de levering van de aanhorigheid later plaatsvindt dan de woning, zal voor de aanhorigheid het tarief van 8% gelden, ook al mag de koper die aanhorigheid alvast gebruiken in afwachting van de levering. Voor de vraag welk tarief van toepassing is maakt het niet uit of de aanhorigheid wordt verkregen van één persoon of van meerdere personen die de aanhorigheid in mede-eigendom hadden.   

3.4 Invoering 'starters'-vrijstelling (art. 15 lid 1 onderdeel p WBR)

Om de woningmarktpositie van koopstarters op de woningmarkt te verbeteren, is in het voorstel een nieuwe vrijstelling opgenomen voor ‘starters’. Om een beroep te kunnen doen op deze vrijstelling moet zijn voldaan aan de volgende vier cumulatieve criteria:

  1. de verkrijger is meerderjarig én jonger dan 35 jaar (leeftijdscriterium);
  2. de verkrijger heeft de vrijstelling niet eerder toegepast (eenmaligheidscriterium);
  3. de verkrijger gaat de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruiken (hoofdverblijfcriterium); en
  4. (geldend vanaf 1 april 2021) het totaal van de waarde van de woning of rechten waaraan deze is onderworpen en tot die woning behorende aanhorigheden komt niet uit boven € 400.000 (woningwaardegrens). 

Ad. 1
Het leeftijdscriterium houdt in dat de verkrijger minimaal 18 jaar en maximaal 34 jaar oud moet zijn. Als één woning wordt verkregen door meerdere verkrijgers gezamenlijk, wordt voor iedere verkrijger afzonderlijk bepaald of de vrijstelling kan worden toegepast.

Voorbeeld (uit de MvT)
Een stel van 32 jaar en 37 jaar koopt een woning met een waarde van € 300.000, waarbij zij ieder een onverdeelde helft verkrijgen. Beiden verklaren daarbij beiden duidelijk, stellig en zonder voorbehoud schriftelijk dat zij deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken. Aanvullend verklaart de verkrijger van 32 jaar dat hij nooit eerder de vrijstelling heeft toegepast. In deze situatie is de verkrijging met een waarde van € 150.000 door de persoon met een leeftijd van 32 jaar vrijgesteld van overdrachtsbelasting en betaalt de verkrijger met een leeftijd van 37 jaar 2% over € 150.000 (€ 3.000).

Als één van de partners geen beroep kan doen op de startersvrijstelling en dus overdrachtsbelasting is verschuldigd, komt deze last voor zijn of haar rekening. Als de andere partner de helft van deze kosten betaalt, is dat een schenking tot de helft van dat bedrag. 

Het toetsingsmoment voor de leeftijdseis is het moment van verkrijging van het onroerend goed, wat in verreweg de meeste gevallen het moment van passeren van de notariële akte is. Uitzondering hierop is de verkrijging van lidmaatschapsrechten van een vereniging of coöperatie waarin het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van een woning is begrepen. Een andere mogelijkheid is dat de levering wel plaatsvindt bij notariële akte, maar dat de verkrijging vanwege een opschortende voorwaarde plaatsvindt op een later moment dan op het tijdstip waarop de akte wordt opgemaakt. De verkrijging komt dan tot stand op het tijdstip waarop de voorwaarde wordt vervuld (art. 8 lid 2 WBR).

Als een stel (samenwonend of gehuwd) in verband met de heffing van overdrachtsbelasting ervoor kiest de woning bij aankoop enkel op naam van één van de partners te zetten, dan kan dit betekenen dat de startersvrijstelling van toepassing is op de verkrijging van de gehele woning. Degene op wiens naam de woning komt te staan is de ‘formele’ belastingplichtige. Dit wordt niet anders als de woning gaat behoren tot een huwelijksgoederengemeenschap of als de partners een finaal verrekenbeding of meerwaardeclausule zijn overeengekomen.  

Ad. 2
Een verkrijger kan eenmaal gebruik maken van de startersvrijstelling. De verkrijger zal bij een beroep op de startersvrijstelling derhalve duidelijk, stellig en zonder voorbehoud schriftelijk moeten verklaren de startersvrijstelling niet eerder te hebben toegepast. Wordt de schriftelijke verklaring niet voorafgaand aan de verkrijging aangeleverd, dan kan de vrijstelling of het verlaagde tarief niet worden toegepast. Dit betekent dat bij het ontbreken van een verklaring op het moment van verkrijgen achteraf geen beroep meer kan worden gedaan om het verlaagde tarief of de vrijstelling. Wordt de verklaring tijdig afgegeven, dan kan de notaris in beginsel uitgaan van de juistheid van deze schriftelijke verklaring, tenzij hij wist dat deze verklaring ten onrechte is afgegeven. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de notaris ook betrokken is geweest bij de overdracht van een eerdere verkrijging, waarvoor de verkrijger de startersvrijstelling heeft toegepast. In dit geval wordt de notaris geacht door te vragen. Als de koper aannemelijk kan maken dat ter zake van de eerdere verkrijging de startersvrijstelling uiteindelijk niet is toegepast, hoeft de notaris de toepassing van de startersvrijstelling niet te weigeren. Indien achteraf blijkt dat de verkrijger de vrijstelling ondanks de afgegeven verklaring wel eerder heeft toegepast, zal de inspecteur overgaan tot naheffing. Als de verkrijger voor 1 januari 2021 al een woning heeft gekocht en hierover destijds 2% overdrachtsbelasting heeft betaald, kan deze persoon bij de aankoop van een nieuwe woning na 1 januari 2021 een beroep doen op de vrijstelling als hij ook aan de overige vereisten voldoet. De vrijstelling geldt dus niet uitsluitend voor personen die een eerste woning kopen, maar kan ook worden toegepast door jonge doorstromers. Daarnaast is het denkbaar dat een verkrijger die kwalificeert als starter, na 1 januari 2021 zelf ervoor kiest het tarief van 2% toe te passen, zodat de eenmalige vrijstelling voor starters op een later moment kan worden gebruikt. 

Ad. 3
Het derde criterium voor toepassing van de startersvrijstelling is dat de verkrijger de woning na de verkrijgers anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Dit vereiste is gelijk aan het hoofdverblijfcriterium dat is gesteld voor toepassing van het 2%-tarief (zie onderdeel 3.3.1). Doorgaans zal aan het hoofdverblijfcriterium niet worden voldaan ingeval de echtgenoot in een recreatiewoning gaat wonen, waarvoor permanente bewoning niet is toegestaan en inschrijving in het BRP niet mogelijk is, zodat de koper niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of het verlaagde tarief. Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of een recreatiewoning in aanmerking komt voor het verlaagde tarief of de vrijstelling. Hiervoor zal de koper aannemelijk moeten maken dat zijn persoonlijke en economische belangen zich op het adres van de verkregen (recreatie)woning bevinden en ook dat er sprake is van een mate van duurzaamheid. De beoordeling hiervan is in de eerste plaats aan de inspecteur en uiteindelijk aan de rechter. 

Ad. 4
Met ingang van 1 april 2021 wordt voor toepassing van de startersvrijstelling als aanvullende voorwaarde gesteld dat de te verkrijgen woning een waarde heeft van maximaal € 400.000. Deze woningwaardegrens is een drempelbedrag, zodat bij een verkrijging boven deze grens overdrachtsbelasting is verschuldigd over de gehele waarde van de woning. Voor het begrip “waarde” wordt aangesloten bij de waarde waarop de maatstaf van heffing van de overdrachtsbelasting wordt bepaald. Dat wil zeggen de waarde in het economische verkeer van de woning op het moment van de verkrijging of – indien deze hoger is dan de waarde – de waarde van de tegenprestatie (bijvoorbeeld de koopsom). 
De woningwaardegrens wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de gemiddelde landelijke WOZ-waarde (art. 15 lid 10 WBR). Hiervoor wordt de factor iw, bedoeld in art. 10.3 lid 5 Wet IB 2001, gebruikt. Onder de factor iw wordt verstaan de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden, die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar en het gemiddelde van die waarden die betrekking hebben op het kalenderjaar. De jaarlijkse indexatie wordt afgerond op € 5.000 en wordt een jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor deze grens gaat gelden bij ministeriële regeling bekend gemaakt.

In verband met deze aanvullende voorwaarde van de woningwaardegrens wordt in een nieuw art. 9 lid 7 WBR een anti-misbruikbepaling opgenomen, waarmee moet worden voorkomen dat de waarde van de verkrijging onder de woningwaardegrens blijft door het kunstmatig splitsen van een woning en rechten waaraan deze is onderworpen. Bij een verkrijging binnen 12 maanden met betrekking tot de woning waarop de vrijstelling is toegepast door dezelfde persoon of door zijn rechtsopvolger krachtens huwelijksvermogensrecht of erfrecht wordt de waarde van deze aanvullende verkrijging toegevoegd aan de eerdere verkrijging waarop de vrijstelling is toegepast. De vrijstelling wordt dan teruggenomen, indien de waarde van de opeenvolgende verkrijgingen die betrekking hebben op dezelfde woning boven de wonigwaardegrens komt. Denk hierbij aan een verkrijging van het vruchtgebruik van de woning en een latere verkrijging van het bloot eigendom door dezelfde verkrijger. 

Voorbeeld (opgenomen in het amendement TK 2020-21, 35576, nr 28)
Op 15 april 2021 verkrijgt X (32 jaar) het recht van vruchtgebruik met een waarde van € 200.000 op een woning met een waarde van € 480.000 (volle eigendom). X voldoet aan het leeftijdscriterium en het woningwaardecriterium. X geeft een schriftelijke verklaring af dat hij de woning, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf gaat gebruiken en nooit eerder de startersvrijstelling heeft toegepast. X voldoet aan de voorwaarde voor toepassing van de startersvrijstelling, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, WBR. Vervolgens verkrijgt X op 1 december 2021 de bloot eigendom van dezelfde woning voor € 280.000, waardoor hij na 1 december 2021 de volle eigendom van de woning bezit. Deze opeenvolgende verkrijging vindt plaats binnen 12 maanden. X geeft opnieuw een verklaring af dat hij de woning, anders dan tijdelijk,  als hoofdverblijf gaat gebruiken. Op basis van artikel 9, zevende lid, WBR wordt voor het vaststellen van de maatstaf van heffing de waarde van de verkrijging van de bloot eigendom (€ 280.000) verhoogd met de waarde van het eerder verkregen recht van vruchtgebruik (€ 200.000). X is over de verkrijging van de bloot eigendom van de woning derhalve 2% overdrachtsbelasting verschuldigd over € 480.000. Hierdoor wordt X alsnog gelijk behandeld met iemand die in een keer de volle eigendom van een woning had verkregen met een waarde van € 480.000 en wordt het voordeel, om de woning gesplitst over te dragen, weggenomen.

3.4.1 Horizonbepaling

Oorspronkelijk was bepaald dat de vrijstelling voor starters per 1 januari 2026 weer zou komen te vervallen, maar bij amendement (TK 2020-21, 35576, nr 20) is deze horizonbepaling geschrapt. Met het vervallen van deze horizonbepaling kan dus niet meer worden gesproken van een tijdelijke vrijstelling. 

3.5 Overdracht binnen 6 maanden (art. 13 WBR)

Met de wijziging van art. 13 WBR beoogt de wetgever te voorkomen dat een verkrijger een woning koopt om deze niet, of slechts tijdelijk, als hoofdverblijf te gaan gebruiken en via de faciliteit van artikel 13 lid 1 WBR toch kan profiteren van het bij een eerdere verkrijging toegepast verlaagde tarief van 2%. Daarom wordt in een nieuw lid 4 bepaald dat als binnen 6 maanden na een vorige verkrijging, waarover 2% overdrachtsbelasting is afgedragen, over een tweede verkrijging 8% overdrachtsbelasting is verschuldigd, slechts de eerder afgedragen 2% overdrachtsbelasting in mindering wordt gebracht op de bij de tweede verkrijging verschuldigde overdrachtsbelasting.

Voorbeeld (uit de MvT)
Niet-starter B verkrijgt een woning voor € 350.000 en betaalt hier 2% overdrachtsbelasting over (2% van € 350.000 is € 7.000). B gaat heel kort in de woning wonen, maar draagt de woning wegens onvoorziene omstandigheden binnen zes maanden over aan K voor € 360.000. K geeft geen verklaring af dat hij de woning niet of tijdelijk als hoofdverblijf zal gaan gebruiken en komt daardoor niet in aanmerking voor de vrijstelling of het verlaagde tarief van 2%. K is daardoor in beginsel € 28.800 verschuldigd (8% van € 360.000). Op grond van artikel 13, eerste lid, WBR kan K echter de maatstaf van heffing verminderen met de waarde waarover reeds overdrachtsbelasting is betaald (€ 350.000). Hierdoor zou K uiteindelijk zonder het toegevoegde vierde lid slechts 8% overdrachtsbelasting verschuldigd zijn over € 10.000 (€ 360.000 minus € 350.000). Dit is € 800. Het belastingvoordeel voor K bedraagt door het kortstondig bewonen van de woning door B € 28.000. Het nieuwe artikel 13, vierde lid, WBR bewerkstelligt dat het voordeel niet hoger kan zijn dan het bedrag dat ter zake van de vorige verkrijging verschuldigd was tegen het 2%-tarief. K kan daarom slechts een vermindering toepassen van € 7.000 en is € 21.800 verschuldigd (8% van € 360.000 minus € 7.000). 

Als bij de eerste verkrijging de startersvrijstelling is toegepast, blijft artikel 13 WBR buiten toepassing bij de tweede verkrijging binnen 6 maanden. Voor de toepassing van artikel 13 lid 1 WBR is immers vereist dat er belasting verschuldigd was bij de voorgaande verkrijging. Dit betekent dat er in deze situatie geen vermindering van de maatstaf van heffing plaatsvindt.

De gevolgen van een clausule, waarin is opgenomen dat de verkrijger het belastingvoordeel van art. 13 WBR moet betalen aan de verkopende belegger, zijn als volgt: starters hoeven op basis van deze clausule niets terug te betalen (zij hebben immers geen voordeel op basis van artikel 13 WBR). Doorstromers hoeven op basis van deze clausule ook geen 8% overdrachtsbelasting te betalen. Zij betalen 2% met toepassing van de clausule over de waarde van de woning, waarvan een deel van die 2% wordt betaald aan de belegger.  

3.6 Onvoorziene omstandigheden (art. 15a WBR) 

Indien achteraf blijkt dat de startersvrijstelling of het verlaagde tarief, ondanks de afgegeven schriftelijke verklaring, onterecht is toegepast, zal de inspecteur overgaan tot naheffing. Dit kan zich voordoen als blijkt dat de verkrijger de vrijstelling al eerder heeft toegepast, of dat de verkrijger de woning niet, of slechts tijdelijk, als hoofdverblijf heeft gebruikt.

Voorbeeld (uit de MvT)
C is 43 jaar en verkrijgt een woning voor € 300.000 en maakt aanspraak op het verlaagde tarief van 2%. Hij vult een schriftelijke verklaring in en bij de aangifte door de notaris wordt € 6.000 afgedragen. Bij een controle door de inspecteur blijkt dat C niet aannemelijk kan maken dat hij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken. Voorts is geen sprake van een onvoorziene omstandigheid. Er wordt aan C een naheffingsaanslag opgelegd van € 18.000, zijnde het verschil van 8% en 2% over € 300.000. Deze naheffingsaanslag wordt vermeerderd met belastingrente en kan eventueel met een bestuurlijke boete (maximaal 100%) worden opgelegd.

Als uit objectieve gegevens niet blijkt dat de verkrijger de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken, geeft de inspecteur de verkrijger de gelegenheid aannemelijk te maken dat de woning toch is gekocht om anders dan tijdelijk te gaan gebruiken als hoofdverblijf. Met onvoorziene omstandigheden na de overdracht van de woning zal door de inspecteur rekening worden gehouden. Dit betekent dat onvoorziene gebeurtenissen na de verkrijging, zoals het duurzaam verloren gaan van de woning, het overlijden van een verkrijger, echtscheiding van de verkrijgers, het aanvaarden van of het verlies van een baan of emigratie, omstandigheden zijn die redelijkerwijs kunnen rechtvaardigen dat de verkrijger ondanks de afgelegde verklaring uiteindelijk toch niet in de woning is gaan wonen. Ingeval onvoorziene gebeurtenissen redelijkerwijs ertoe leidden dat een verkrijger niet de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf kon gaan gebruiken, wordt de startersvrijstelling en het verlaagde tarief niet teruggenomen.

Voorbeeld (uit de MvT)
Y (30 jaar) koopt samen met Z (34 jaar) een woning voor een bedrag € 250.000. Beiden verkrijgen op 1 oktober 2021 de onverdeelde helft van de woning en verklaren duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in een schriftelijke verklaring dat zij deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken en nooit eerder de vrijstelling hebben toegepast. In deze situatie zijn de verkrijgingen van Y en Z met een waarde van elk € 125.000 vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Op 1 november 2021 krijgt Z onverwachts een baan aangeboden in het buitenland voor drie jaar, welke baan Z aanvaardt. Y en Z vertrekken samen naar het buitenland en houden de verkregen woning aan en verhuren deze gedurende de tijd dat zij in het buitenland zijn. Door een onvoorziene gebeurtenis na het moment van verkrijging van de woning konden Y en Z de woning niet of slechts tijdelijk als hoofdverblijf gebruiken. De vrijstelling overdrachtsbelasting zal in dat geval niet worden teruggenomen. Wel kan het zijn dat de inspecteur zal vragen aannemelijk te maken dat de verklaring juist is afgegeven, omdat mogelijk niet uit objectieve gegevens kan worden waargenomen dat Y en Z de woning daadwerkelijk zijn gaan gebruiken als hoofdverblijf. Gegeven het aanvaarden van de nieuwe baan in het buitenland, welk aanbod niet bestond op het moment van de verkrijging, zullen Y en Z dit voldoende aannemelijk kunnen maken. 

3.7 Op een vrijstelling overdrachtsbelasting moet altijd beroep worden gedaan (art. 15 lid 9 WBR)

Voorgesteld wordt dat vanaf 1 januari 2021 een beroep op een vrijstelling altijd in een aangifte overdrachtsbelasting moet worden gedaan. Dit geldt voor alle vrijstellingen. In geval van verkrijgingen bij notariële akte (uitgezonderd verkrijgingen in een onroerendezaakrechtspersoon) dient de notaris in de aangifte een beroep op de vrijstelling op te nemen. In alle andere gevallen moet de verkrijger binnen één maand zelf verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet.

Vindplaats: Wet differentiatie overdrachtsbelasting, art. I t/m art. III

4 Schenkbelasting

Op 12 november 2020 heeft de Tweede Kamer het amendement van het lid Lodders (TK 2020-21, 35572, nr 73) aangenomen, waarin is voorgesteld de bestaande vrijstellingen voor kinderen en overige verkrijgers, na toepassing van de inflatiecorrectie, voor het jaar 2021 (tijdelijk) te verhogen met € 1.000. Daarmee komt de jaarlijkse vrijstelling van schenkbelasting per kind voor 2021 uit op € 6.604 voor schenkingen van de ouders (art. 33 onder 5 SW) en de jaarlijkse vrijstelling voor overige verkrijgers voor 2021 op € 3.244 (art. 33 onder 7 SW).

Deze verhogingen van € 1.000 komen weer te vervallen per 1 januari 2022.  

5 Natuurschoonwet

Het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaraan een onroerende zaak moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als landgoed, wordt per 1 januari 2021 aangepast. In het besluit van 11 september 2020 tot wijziging van het Rangschikkingsbesluit is een overgangsregeling opgenomen ten aanzien van die onroerende zaken die op grond van de tot 31 december 2020 geldende bepalingen wel kwalificeren als landgoed maar daaraan niet meer voldoen op grond van de per 1 januari 2021 geldende nieuwe voorwaarden. Deze onroerende zaken blijven nog maximaal 10 jaar (op basis van de huidige voorwaarden) als landgoed aangemerkt, derhalve maximaal tot 1 januari 2031 (hierna: de bestaande overgangsregeling). De bestaande overgangsregeling eindigt echter zodra de onroerende zaak, anders dan door vererving of ten gevolge van een verdeling van een gemeenschap of een nalatenschap, een andere eigenaar krijgt. De wijziging van de voorwaarden in het Rangschikkingsbesluit NSW 1928 kan tot gevolg hebben dat op enig moment niet meer wordt voldaan aan de instandhoudingseis die geldt voor de erf- en schenkbelasting en de overdrachtsbelasting voor verkrijgingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2021.

Voor deze situaties is in het wetsvoorstel nieuw overgangsrecht opgenomen. Dit nieuwe overgangsrecht heeft tot gevolg dat in een situatie waarin een eigenaar door de wijziging van het Rangschikkingsbesluit NSW 1928 niet langer voldoet aan de instandhoudingseis, de fiscale gevolgen (invordering van het genoten belastingvoordeel op grond van art. 8 en 9c NSW 1928) buiten werking worden gesteld voor het deel van de onroerende zaak dat door de gewijzigde voorwaarden niet meer als landgoed wordt aangemerkt. Dat een landgoed niet meer wordt aangemerkt als landgoed kan gebeuren door het verstrijken van de overgangstermijn van het hiervoor vermelde bestaande overgangsrecht of doordat de onroerende zaak een andere eigenaar krijgt, anders dan door vererving of ten gevolge van een verdeling van een gemeenschap of een nalatenschap.

Het overgangsrecht geldt niet voor dat deel van de onroerende zaak dat wel op grond van de voorwaarden per 1 januari 2021 als landgoed kan worden aangemerkt, maar waarvoor geen (tijdig) verzoek tot aanmerking onder nieuwe voorwaarden is ingediend. De beziteis van artikel 8a NSW blijft wel onverkort van toepassing. Dat geldt ook voor het deel waarvoor de instandhoudingseis op grond van het overgangsrecht is vervallen.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2021, art. VI

6 Inkomstenbelasting

6.1 Verlaging tarief eerste schijf en aanpassing zelfstandigenaftrek

In het Belastingplan 2021 wordt voorgesteld om het tarief van de eerste schijf in box 1 met 0,25% te verlagen naar 37,10%. Dit basistarief geldt voor het belastbare inkomen tot € 68.507. Het basistarief zal geleidelijk verder worden verlaagd totdat dit in 2024 37,03% bedraagt. De verlaging van het tarief dient ter compensatie voor het voorstel tot de versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek. In 2021 zal de zelfstandigenaftrek met € 360 worden verlaagd naar € 6.670. De zelfstandigenaftrek zal verder worden afgebouwd met € 360 per jaar tot en met 2027. In 2028 zal de verlaging € 390 bedragen, waarna de zelfstandigenaftrek tot en met 2036 per jaar met € 110 wordt verlaagd naar € 3.240.

Schijven en tarieven box 1

Box 1-tarief Belastbaar inkomen meer dan maar niet meer dan Tarief 2021 Tarief 2022
Schijf laag tarief - € 68.507 37,10% 37,07%
Schijf hoog tarief € 68.507 - 49,50% 49,50%


Afbouw zelfstandigenaftrek

2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032
€ 7.030 € 6.670 € 6.310 € 5.950 € 5.590 € 5.230 € 4.570 € 4.510 € 4.120 € 4.010 € 3.900 € 3.790 € 3.680
2033 2034 2035 2036
€ 3.570 € 3.460 € 3.350 € 3.240


Vindplaats: Belastingplan 2021, art. I, B; art. II, C; art. III, C; art. IV, C, art. V t/m XVI, art. XXXIX, A.1

6.2 Wijzigingen in vermogensrendementsheffing vanaf 2021

De voorgestelde wijzingen van box 3 per 1 januari 2021 zijn slechts wijzigingen in het bestaande systeem. De vermogensmix, de verdeling tussen sparen en beleggingen in de drie schijven blijft ongewijzigd. Het heffingvrije vermogen per belastingplichtige stijgt naar € 50.000 (thans € 30.846) en het tarief in box 3 stijgt van 30% naar 31%. De schijfgrenzen worden weer teruggeschroefd naar zoals deze bij de invoering per 1 januari 2017 luidden. De tweede en derde schijf starten bij een vermogen van respectievelijk € 100.000 en € 1.000.000. Na aftrek van het heffingvrije vermogen van € 50.000 bedragen de schijfgrensbedragen € 50.000 respectievelijk € 950.000. Verder gaan in 2021 de forfaitaire rendementen voor sparen omlaag naar 0,03% (thans: 0,07%) en voor beleggen omhoog naar 5,69% (thans: 5,28%). 

Door de verhoging van het heffingvrije vermogen daalt voor circa 900.000 mensen het box 3-inkomen naar nihil. Voor circa 400.000 mensen met een vermogen van meer dan € 220.000 (voor partners meer dan € 440.000) leidt het voorstel tot een lastenverzwaring, voor de circa 1,7 miljoen mensen met vermogen tussen € 50.000 en € 220.000 (bij partners € 440.000) tot een lastenverlichting. Het wetsvoorstel bevat voorts enkele formeelrechtelijke bepalingen die moeten voorkomen dat de verhoging van het heffingvrije vermogen doorwerkt naar de vermogenstoets in een aantal inkomensafhankelijke regelingen (zoals huurtoeslag, de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de eigen bijdrage in het kader van de Wet langdurige zorg) doordat het box 3-inkomen daalt en daardoor mensen eerder of voor een hoger bedrag voor deze inkomensafhankelijke regelingen in aanmerking zouden komen. Het gevolg is dat belastingplichtigen met een vermogen van meer dan € 31.430 dan wel met een bedrag aan in box 3 vrijgestelde groene beleggingen vanaf 2021 nog steeds aangifte inkomstenbelasting moeten doen ondanks de verhoging van het heffingvrije vermogen. Het neerwaarste effect op de omvang van het verzamelinkomen dat doorwerkt in een aantal inkomensafhankelijke regelingen wordt niet gecorrigeerd en geaccepteerd. Het belasten van het werkelijke rendement blijft het uiteindelijke doel maar dit doel is volgens het kabinet niet op de korte termijn te realiseren.

Vindplaats: Wet aanpassing box 3, art. I en art. III t/m art. VII 

6.3 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

De KIA is bedoeld om investeringen van relatief geringe omvang te bevorderen waarbij de hoogte van de aftrek afhankelijk is van het jaarlijkse investeringsbedrag. In afwijking van jurisprudentie van de Hoge Raad wordt vastgelegd dat een ondernemer die meerdere afzonderlijke ondernemingen naast elkaar drijft, voor iedere onderneming apart recht heeft op de KIA. Voorts wordt de berekeningswijze verduidelijkt wanneer een ondernemer deelneemt in een samenwerkingsverband zoals een maatschap of een vof. In dat geval wordt eerst een bedrag aan KIA bepaald aan de hand van alle investeringen van de deelnemers in het samenwerkingsverband plus de buitenvennootschappelijke investeringen van de betreffende belastingplichtige. Vervolgens wordt dit bedrag aan KIA vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aan de belastingplichtige toe te rekenen investeringsbedrag en de noemer uit het gezamenlijke investeringsbedrag van het samenwerkingsverband vermeerderd met de buitenvennootschappelijke investeringen van de belastingplichtige. 

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2021, art. I

7 Vennootschapsbelasting

Anders dan eerder bepaald blijft ingevolge het Belastingplan 2021 het hoge vennootschapsbelastingtarief 25% en gaat de verlaging naar 21,7% niet door. Het lage vennootschapsbelastingtarief wordt wel conform het Belastingplan 2020 verlaagd naar 15%. Voorts is het voorstel om de eerste tariefschijf te verlengen naar € 245.000 in 2021 en € 395.000 in 2022.

Vpb tarief Winst meer dan (2021 / 2022) maar niet meer dan (2021 / 2022) Tarief 2021 Tarief 2022
Schijf laag tarief - € 245.000 / € 395.000 15% 15%
Schijf hoog tarief € 245.000 / € 395.000 - 25% 25%


Vindplaats: Belastingplan 2021, art. XXVI, B en art. XXXVII
 

8 Diversen

8.1 Overgangsrecht levensloopregeling eindigt per 1 november 2021

De levensloopregeling eindigt per 1 januari 2022 definitief. Dat wil zeggen dat bij degene die voor 1 januari 2022 het saldo nog niet (volledig) heeft opgenomen de levensloopaanspraak per eind 2021 als loon in aanmerking moet worden genomen. Om de administratieve afwikkeling op een juiste wijze te kunnen uitvoeren is in art. 39d lid 4 Wet LB 1964 bepaald dat het fictieve genietingsmoment wordt vervroegd naar 1 november 2021. Voorts is bepaald dat de instelling die de levensloopregeling uitvoert in dat geval de inhoudingsplichtige is in plaats van de (ex-)werkgever van de deelnemer. Voor de bepaling van de verschuldigde loonheffing wordt de tabel bijzondere beloningen toegepast. De instelling is geen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en premies werknemersverzekering verschuldigd.

Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2021, art. II

8.2 Aanpassing vrije ruimte werkkostenregeling

Bij besluit noodmaatregelen coronacrisis is voor 2020 de vrije ruimte die werkgevers hebben voor het geven van onbelaste vergoedingen en verstrekkingen, verhoogd van 1,7% naar 3% van de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever. Dit wordt voor 2020 in de wet opgenomen. Voor 2021 bedraagt het wettelijke percentage over de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever weer 1,7% en wordt het percentage van 1,2% dat geldt over de fiscale loonsom vanaf € 400.000 per 1 januari 2021 verlaagd naar 1,18%.

Vindplaats: Belastingplan 2021, art. XVIII

8.3 Verruiming gerichte vrijstelling scholingskosten

De geldende gerichte vrijstelling voor scholingskosten van werknemers wordt uitgebreid zodat deze ook kan worden toegepast ten behoeve van ex-werknemers. Met de verruiming wordt beoogd werkgevers en werknemers een stimulans te geven om ook bij beëindiging van een dienstverband in te zetten op het volgen van scholing met het oog op het verwerven van inkomen. 

Vindplaats: Belastingplan 2021, art. XVIII