Kennisbank voor het notariaat
Wetstoelichting

Omgevingsvergunning (art. 5.1 - 5.16 Ow)

Bijgewerkt tot 16-09-2024 Auteur prof. mr. J.W.A. (Jeroen) Rheinfeld

1 Hoofdlijnen omgevingsvergunningEen omgevingsvergunning is de officiële toestemming van een overheidsinstantie aan burgers, bedrijven en andere overheden om bepaalde activiteiten te verrichten in de fysieke leefomgeving. Art. 5.1 Omgevingswet (Ow) bevat de kern van de regeling van de omgevingsvergunning, namelijk het verbod om zonder omgevingsvergunning de in het eerste tot en met tweede lid van dit wetsartikel omschreven activiteiten te verrichten. Van deze activiteiten zijn begripsomsch…

Verder lezen?

Om dit document te kunnen bekijken, moet u ingelogd zijn.


Inloggen via Legal Intelligence

Geen inloggegevens?

Heeft u nog geen inloggegevens, dan kunt u een abonnement afsluiten.

Bent u werkzaam op het notariële en/of fiscale werkterrein en wilt u het gebruik van Via Juridica ervaren?
Vraag een gratis proefabonnement aan en probeer Via Juridica één maand uit!

Voor (voltijd)studenten is een gratis studentenabonnement beschikbaar.


Gebruikers van Via Juridica

Bekijk alle

Wet- en regelgeving


Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

    • a.

      een omgevingsplanactiviteit,

    • b.

      een rijksmonumentenactiviteit,

    • c.

      een ontgrondingsactiviteit,

    • d.

      een stortingsactiviteit op zee,

    • e.

      een Natura 2000-activiteit,

    • f.

      een jachtgeweeractiviteit,

    • g.

      een valkeniersactiviteit,

    tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

  • 2

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

    • a.

      een bouwactiviteit,

    • b.

      een milieubelastende activiteit,

    • c.

      een lozingsactiviteit op:

      • 1°.

        een oppervlaktewaterlichaam,

      • 2°.

        een zuiveringtechnisch werk,

    • d.

      een wateronttrekkingsactiviteit,

    • e.

      een mijnbouwlocatieactiviteit,

    • f.

      een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:

      • 1°.

        een weg,

      • 2°.

        een waterstaatswerk,

      • 3°.

        een luchthaven,

      • 4°.

        een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,

      • 5°.

        een installatie in een waterstaatswerk,

    • g.

      een flora- en fauna-activiteit,

    voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.


Artikel 5.2 (afbakening vergunningplicht artikel 5.1)

Artikel 5.2 (afbakening vergunningplicht artikel 5.1)

  • 1

    Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1 worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. Daarbij kunnen voor:

    • a.

      een omgevingsplanactiviteit,

    • b.

      een ontgrondingsactiviteit,

    • c.

      een milieubelastende activiteit,

    • d.

      een lozingsactiviteit op:

      • 1°.

        een oppervlaktewaterlichaam,

      • 2°.

        een zuiveringtechnisch werk,

    • e.

      een wateronttrekkingsactiviteit,

    • f.

      een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg,

    • g.

      een Natura 2000-activiteit,

    • h.

      een flora- en fauna-activiteit,

    • i.

      een jachtgeweeractiviteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  • 2

    Voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument kunnen ook bij het besluit tot aanwijzing van een archeologisch moment als rijksmonument, bedoeld in artikel 3.1 van de Erfgoedwet, gevallen worden aangewezen waarin het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, niet geldt. Deze gevallen hebben alleen betrekking op onderdelen van het archeologisch monument die uit het oogpunt van de archeologische monumentenzorg geen waarde hebben.

  • 3

    Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:

    • a.

      een Natura 2000-activiteit,

    • b.

      een flora- en fauna-activiteit,

    • c.

      een jachtgeweeractiviteit,

    • d.

      een valkeniersactiviteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, bij ministeriële regeling, van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  • 4

    Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:

    • a.

      een Natura 2000-activiteit,

    • b.

      een flora- en fauna-activiteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in een programma van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  • 5

    Op grond van artikel 5.1 worden in ieder geval gevallen aangewezen ter uitvoering van:

    • a.

      de habitatrichtlijn,

    • b.

      de kaderrichtlijn afvalstoffen,

    • c.

      de kaderrichtlijn water,

    • d.

      het Londen-protocol,

    • e.

      de mer-richtlijn,

    • f.

      het Ospar-verdrag,

    • g.

      de richtlijn industriële emissies,

    • h.

      de richtlijn offshore veiligheid,

    • i.

      de richtlijn stedelijk afvalwater,

    • j.

      de richtlijn winningsafval,

    • k.

      de Seveso-richtlijn,

    • l.

      het verdrag van Aarhus,

    • m.

      het verdrag van Bern,

    • n.

      het verdrag van Bonn,

    • o.

      het verdrag van Valletta.

    • p.

      de vogelrichtlijn.


Artikel 5.3 (omgevingsvergunningplicht waterschapsverordening)

Artikel 5.3 (omgevingsvergunningplicht waterschapsverordening)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de waterschapsverordening is bepaald.


Artikel 5.4 (omgevingsvergunningplicht omgevingsverordening)

Artikel 5.4 (omgevingsvergunningplicht omgevingsverordening)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de omgevingsverordening is bepaald.


Artikel 5.5 (verbod handelen in strijd met voorschriften omgevingsvergunning)

Artikel 5.5 (verbod handelen in strijd met voorschriften omgevingsvergunning)

  • 1

    Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor:

    • a.

      een omgevingsplanactiviteit, voor zover dat voorschrift is gesteld met het oog op:

      • 1°.

        het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu,

      • 2°.

        het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,

      • 3°.

        het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk,

      • 4°.

        het beschermen van monumenten of archeologische monumenten,

    • b.

      een rijksmonumentenactiviteit,

    • c.

      een stortingsactiviteit op zee,

    • d.

      een milieubelastende activiteit,

    • e.

      een lozingsactiviteit op:

      • 1°.

        een oppervlaktewaterlichaam,

      • 2°.

        een zuiveringtechnisch werk,

    • f.

      een beperkingengebiedactiviteit,

    • g.

      een flora- en fauna-activiteit.

  • 2

    Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor:

    • a.

      een omgevingsplanactiviteit: in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, onder a,

    • b.

      een ontgrondingsactiviteit,

    • c.

      een bouwactiviteit,

    • d.

      een wateronttrekkingsactiviteit,

    • e.

      een mijnbouwlocatieactiviteit,

    • f.

      een Natura 2000-activiteit.

  • 3

    Het is verboden in strijd te handelen met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor:

    • a.

      een jachtgeweeractiviteit,

    • b.

      een valkeniersactiviteit.

  • 4

    Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3:

    • a.

      voor zover dat voorschrift is gesteld met het oog op:

      • 1°.

        het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,

      • 2°.

        het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk,

    • b.

      in andere gevallen dan bedoeld onder a.

  • 5

    Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4:

    • a.

      voor zover dat voorschrift is gesteld met het oog op:

      • 1°.

        het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu,

      • 2°.

        het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,

      • 3°.

        het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk,

      • 4°.

        het beschermen van monumenten of archeologische monumenten,

    • b.

      in andere gevallen dan bedoeld onder a.


Artikel 5.6 (verbod in stand laten zonder vergunning gebouwd bouwwerk)

Artikel 5.6 (verbod in stand laten zonder vergunning gebouwd bouwwerk)

Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten.


Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig)

Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig)

  • 1

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben.

  • 2

    Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4.

  • 3

    Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten.

  • 4

    Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als:

    • a.

      die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of

    • b.

      op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is.

  • 5

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.


Artikel 5.8 (bevoegd gezag gemeente aanvraag één activiteit)

Artikel 5.8 (bevoegd gezag gemeente aanvraag één activiteit)

Het college van burgemeester en wethouders beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op één activiteit, tenzij op grond van artikel 5.9, 5.9a, 5.10, 5.11 of 5.13 een ander bestuursorgaan is aangewezen.


Artikel 5.9 (bevoegd gezag aanvraag één wateractiviteit)

Artikel 5.9 (bevoegd gezag aanvraag één wateractiviteit)

Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een doelmatig waterbeheer voor wateractiviteiten gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag beslissen.


Artikel 5.9a (bevoegd gezag aanvraag één jachtgeweeractiviteit)

Artikel 5.9a (bevoegd gezag aanvraag één jachtgeweeractiviteit)

De korpschef beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit.


Artikel 5.10 (bevoegd gezag provincie aanvraag één activiteit anders dan in artikel 5.9)

Artikel 5.10 (bevoegd gezag provincie aanvraag één activiteit anders dan in artikel 5.9)

  • 1

    Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin gedeputeerde staten op de aanvraag beslissen:

    • a.

      omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang,

    • b.

      ontgrondingsactiviteiten:

      • 1°.

        in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier,

      • 2°.

        buiten de rijkswateren,

    • c.

      milieubelastende activiteiten:

      • 1°.

        met betrekking tot een ippc-installatie,

      • 2°.

        met betrekking tot een andere milieubelastende installatie,

      • 3°.

        waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is,

      • 4°.

        die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het grondwater,

    • d.

      beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

      • 1°.

        burgerluchthavens van regionale betekenis,

      • 2°.

        lokale spoorwegen,

    • e.

      Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten,

    • f.

      activiteiten als bedoeld in artikel 5.4.

  • 2

    Bij de aanwijzing van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, in acht genomen.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 2°, worden, als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, bij algemene maatregel van bestuur gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in laatstbedoeld lid, beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg in dat gebied.


Artikel 5.11 (bevoegd gezag Rijk aanvraag één activiteit anders dan in artikel 5.9)

Artikel 5.11 (bevoegd gezag Rijk aanvraag één activiteit anders dan in artikel 5.9)

  • 1

    Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin een van Onze daarbij aangewezen Ministers op de aanvraag beslist:

    • a.

      omgevingsplanactiviteiten van nationaal belang,

    • b.

      rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument,

    • c.

      ontgrondingsactiviteiten in de rijkswateren, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onder b, onder 1°,

    • d.

      milieubelastende activiteiten:

      • 1°.

        met betrekking tot een mijnbouwwerk,

      • 2°.

        waarbij nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen zijn betrokken,

      • 3°.

        als het gaat om het op of in de bodem brengen van meststoffen,

    • e.

      mijnbouwlocatieactiviteiten,

    • f.

      beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

      • 1°.

        wegen in beheer bij het Rijk,

      • 2°.

        andere luchthavens dan burgerluchthavens van regionale betekenis,

      • 3°.

        hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen,

      • 4°.

        mijnbouwinstallaties in een waterstaatswerk,

    • g.

      Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten van nationaal belang,

    • h.

      activiteiten die niet vallen onder de onderdelen a tot en met g en die geheel of in hoofdzaak plaatsvinden in:

      • 1°.

        de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied,

      • 2°.

        de exclusieve economische zone,

    • i.

      een valkeniersactiviteit.

  • 2

    Bij de aanwijzing van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.

  • 3

    In afwijking van de artikelen 5.8, 5.10 en 5.13 en van het eerste lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, onder d, onder 2°, beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als dat nodig is voor nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen.


Artikel 5.12 (bevoegd gezag aanvraag meer activiteiten)

Artikel 5.12 (bevoegd gezag aanvraag meer activiteiten)

  • 1

    Op de aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op meer dan een activiteit wordt beslist door een bestuursorgaan dat op grond van artikel 5.8, 5.9, 5.10 of 5.11, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h, voor ten minste een van die activiteiten bevoegd zou zijn op een aanvraag te beslissen. Hierbij worden de volgende leden in acht genomen.

  • 2

    Als het college van burgemeester en wethouders een bestuursorgaan is als bedoeld in het eerste lid, beslist het college op de aanvraag, tenzij bij algemene maatregel van bestuur een ander van de betrokken bestuursorganen wordt aangewezen. Bij die aanwijzing worden de grenzen van artikel 2.3 in acht genomen. Bij die maatregel kan, in afwijking van het eerste lid en met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, ook een ander bestuursorgaan dan een van de betrokken bestuursorganen worden aangewezen.

  • 3

    In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid, wordt op de aanvraag beslist door het betrokken bestuursorgaan dat bij algemene maatregel van bestuur wordt aangewezen. Bij die maatregel kan, in afwijking van het eerste lid en met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, ook een ander bestuursorgaan dan een van de betrokken bestuursorganen worden aangewezen.

  • 4

    In afwijking van het eerste tot en met derde lid en van artikel 5.13 kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag beslissen als dat nodig is voor nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen.


Artikel 5.13 (eens bevoegd gezag altijd bevoegd gezag)

Artikel 5.13 (eens bevoegd gezag altijd bevoegd gezag)

  • 1

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin gedeputeerde staten of Onze Minister die het aangaat beslissen op elke aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een locatie waarvoor een door hen eerder verleende omgevingsvergunning geldt.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 5.9 of 5.9a.


Artikel 5.14 (bevoegd gezag grondgebiedoverstijgende aanvraag)

Artikel 5.14 (bevoegd gezag grondgebiedoverstijgende aanvraag)

Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die op het grondgebied van meer dan een gemeente, waterschap of provincie plaatsvindt, wordt op die aanvraag beslist door het daarvoor op grond van artikel 5.8, 5.9, 5.10, 5.12 of 5.13 aangewezen bestuursorgaan van de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht.


Artikel 5.15 (bevoegd gezag toepassing paragraaf 5.1.5)

Artikel 5.15 (bevoegd gezag toepassing paragraaf 5.1.5)

Het bestuursorgaan dat bevoegd is om op een aanvraag om een omgevingsvergunning te beslissen, is ook bevoegd tot toepassing van paragraaf 5.1.5.


Artikel 5.16 (flexibiliteitsregeling bevoegd gezag)

Artikel 5.16 (flexibiliteitsregeling bevoegd gezag)

  • 1

    Een bestuursorgaan dat bevoegd is om op een aanvraag om een omgevingsvergunning te beslissen of bevoegd is tot toepassing van paragraaf 5.1.5, kan die bevoegdheid aan een ander bestuursorgaan overdragen, als dat bestuursorgaan daarmee instemt.

  • 2

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.


Kennisdossiers

Titel Categorie
Titel Omgevingswet Categorie Registergoederenrecht
Inhoudsopgave
Overzicht
Wetstructuur
Diversen