LOADING  
Fiscaal
Civiel

Verkrijging pensioenregeling en lijfrenten (art. 32 lid 1 onder 5 SW)

Verkrijging pensioenregeling en lijfrenten

Mail a friend
Bijgewerkt tot 1 mei 2019
De redactie

1 Algemeen

In beginsel is de verkrijging van een lijfrente belast op grond van art. 13 SW, maar als de lijfrente voldoet aan de eisen gesteld in art. 32 lid 4 SW is de waarde van een lijfrente vrijgesteld van erfbelasting op grond van art. 32 lid 1 onder 5° SW.

1.1 Begrip lijfrenten voor deze vrijstelling

Het begrip lijfrenten voor de toepassing van de vrijstelling van art. 32 lid 1 onder 5° SW is nader ingevuld in art. 32 lid 4 SW. Onder lijfrenten wordt verstaan:

  • Lijfrenten als bedoeld in art. 3.125 Wet IB 2001 die zijn verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in art. 3.126 Wet IB 2001, voor zover de afgedragen premies voor de heffing van inkomstenbelasting als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek konden worden gebracht;
  • Aanspraken op tegoeden van lijfrentespaarrekeningen of lijfrentebeleggingsrechten als bedoeld in art. 3.126a Wet IB 2001, voor zover de betaalde bedragen voor de heffing van inkomstenbelasting als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek konden worden gebracht;
  • Nettolijfrenten als bedoeld in art. 5.16 Wet IB 2001.

Voor de lijfrentevrijstelling wordt uitgegaan van de voorwaarden van de lijfrente op het moment van de betaling van premie voor een lijfrenteverzekering of de overmaking van bedragen naar een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht. Het nadien wijzigen van de voorwaarden heeft geen gevolgen voor de toepassing van de vrijstelling. Zie onderdeel 9 van MvF 29 november 2018, nr 2018-194402. Aangezien de lijfrentevrijstelling in 1995 is ingevoerd naar aanleiding van de Brede Herwaardering in 1992, zal een lijfrentecontract van voor 1992 (een zogenoemde Pré-Brede Herwaardering-lijfrente) veelal niet voldoen aan de voorwaarden van de lijfrentevrijstelling. Het aanpassen (voor of na overlijden) van een dergelijke lijfrente aan latere regelgeving helpt derhalve niet, evenmin een omzetting na overlijden in een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in art. 126a Wet IB 2001.
De tussen 1992 en 2001 afgesloten (Brede Herwaardering) lijfrentecontracten voldeden veelal wel aan de destijds in art. 32 lid 5 SW opgenomen definitie. Met de aanpassing van de definitie voor het begrip lijfrente in de Wet IB 2001 werd geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van het Brede Herwaarderingsregime. Voor deze lijfrentecontracten zal de vrijstelling in het algemeen dus wel kunnen worden toegepast, ook als een dergelijk contract is omgezet in een lijfrentrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in art. 126a Wet IB 2001. 

2 Stakingslijfrente bedongen na het overlijden van de erflater

Een stakingslijfrente kan ook worden bedongen na het overlijden van de erflater (art. 3.131 Wet IB 2001). In dat geval komen de premies voor de inkomstenbelasting in aftrek bij de erflater. Aangezien de lijfrente nog niet bestond op het moment van overlijden, kan voor de erfbelasting hiermee echter geen rekening worden gehouden. In onderdeel 9.1 van MvF 29 november, nr 2018-194402 is goedgekeurd dat indien de termijnen van de stakingslijfrente toekomen aan de partner of kinderen van de erflater (op een bij de inspecteur van de Belastingdienst in te dienen verzoek), de lijfrentevrijstelling kan worden toegepast voor de verkrijging van een stakingslijfrente als bedoeld in art. 3.131 Wet IB 2001, voor zover de premie in aftrek is gekomen bij de erflater.