LOADING  
Fiscaal
Civiel

Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (art. 3.132 - 3.138 Wet IB 2001)

Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Dit thema maakt onderdeel uit van de kennisdossiers: Mail a friend
Bijgewerkt tot 1 januari 2018
De redactie

Vervallen minimumwaarderingsregel bij afkoop lijfrenteaanspraken 

Bij onder andere afkoop van lijfrente-aanspraken wordt als heffingsgrondslag in aanmerking genomen de waarde in het economische verkeer van die aanspraak of een gedeelte daarvan (art. 3.137 lid 1 eerste volzin Wet IB 2001). De waarde in het economische verkeer van afgekochte lijfrenteaanspraken waarvan nog geen uitkeringen zijn vervallen, werd tot voor enkele jaren ten minste gesteld op de betaalde premies of de ingelegde bedragen (art. 3.137 lid 1 tweede volzin Wet IB 2001). Dit is de zogenoemde minimumwaarderingsregel.

De toepassing van de minimumwaarderingsregel bij (gehele of gedeeltelijke) afkoop van een aanspraak op een lijfrente kan er toe leiden dat een belastingplichtige meer belasting is verschuldigd dan het bedrag van de afkoopsom van de lijfrente. Dit doet zich met name voor bij lijfrenteovereenkomsten waarbij de waarde van de lijfrenteaanspraken door beleggingsverliezen aanzienlijk lager ligt dan de betaalde en afgetrokken premies of inleg. Omdat dit als ongewenst wordt beschouwd is per 1 januari 2016 de minimumwaarderingsregel bij afkoop van lijfrente-aanspraken niet meer van toepassing (art. 3.137 lid 1 derde volzin Wet IB 2001). Vooruitlopend op deze wetswijziging is de afschaffing van de minimumwaarderingsregel voor afkopen die voor 1 januari 2016 hebben plaatsgevonden, geregeld in een beleidsbesluit (MvF 3 september 2015, nr BLKB2015/1080M). Als de definitieve aanslag over het jaar waarin de afkoop heeft plaatsgevonden inmiddels onherroepelijk vaststaat, kan een beroep worden gedaan op de wettelijke mogelijkheid te verzoeken om toepassing van de bijzondere regels voor ambtshalve vermindering zoals opgenomen in art. 9.6 Wet IB 2001.