LOADING  
Fiscaal
Civiel

Belastingpakket 2017

Belastingpakket 2017

Mail a friend
Bijgewerkt tot 14 april 2017
De redactie
1 Belastingplan 2017 en andere fiscale wetsvoorstellen van Prinsjesdag
2 Kamerstukken
2.1 Belastingplan 2017
2.2 Overige fiscale maatregelen 2017
2.3 Fiscale vereenvoudigingswet 2017
2.4 Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen
2.5 Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing
3 Cijfers 2017
3.1 Eigenwoningforfait
3.2 Box 3 heffing
3.3 Schenk- en erfbelasting tarieven
3.4 Vrijstellingen schenkbelasting
3.5 Vrijstellingen erfbelasting
3.6 Vrijstelling ondernemingsvermogen
4 Successiewet
4.1 Aanslagtermijn na schenking voor eigen woning verlengd van drie naar vijf jaar
4.2 Indirect belang kleiner dan 5% valt niet langer onder reikwijdte van de BOR (SW en IB)
5 Inkomstenbelasting
5.1 Boeterente als 'rente' aftrekbaar binnen de eigenwoningregeling
5.2 Woning in aanbouw binnen de eigenwoningregeling
5.3 Vruchtgebruik van een woning krachtens erfrecht binnen de eigenwoningregeling
5.3.1 Eigenwoningschuld
5.3.2 Eigenwoningreserve
5.3.3 Aflossingseis
5.3.4 Restschuld
5.3.5 Defiscalisering
5.3.6 Bestaande eigenwoningschuld
5.4 Maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking door middel van een VBI
5.5 Afschaffen aftrek uitgaven monumentpanden
5.6 Afschaffen aftrek scholingsuitgaven
5.7 Eis van 15 of 20 jaar premiebetaling voor vrijstelling KEW, SEW en BEW vervalt in (alle) gevallen
5.8 Goedkoper wonen en maximum vrijstelling KEW, SEW en BEW
6 Loonbelasting
6.1 Wet uitfasering pensioen in eigen beheer
6.2 Gebruikelijk loon bij innovatieve start-ups
7 Omzetbelasting
7.1 Samenloopregeling tussen overdrachtsbelasting en omzetbelasting van rechtswege bij levering bouwterrein
8 Vennootschapsbelasting
8.1 Opteren voor belastingplichtig door stichtingen en verengingen
8.2 Verlenging van de eerste tariefschijf 

1 Belastingplan 2017 en andere fiscale wetsvoorstellen van Prinsjesdag

Op 20 september 2016 zijn de fiscale plannen van het Kabinet voor 2017 gepresenteerd. Deze keer bevat het belastingpakket zes wetsvoorstellen waarvan er vijf voor het notariaat relevante elementen bevat. Een deel van de regelingen hebben het karakter van vereenvoudiging. Naast de nieuw voorgestelde wijzigingen, treden per 1 januari 2017 ook twee wijzigingen in werking die reeds bekend zijn: de verhoging van de schenkvrijstelling voor de eigen woning tot € 100.000 en de aanpassing van het forfaitair rendement in box 3. Op 17 november 2016 heeft de Tweede Kamer gestemd over het belastingpakket en zijn de wetsvoorstellen aangenomen. Over het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing is niet gestemd. Eerder had de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verzocht om de behandeling van dit wetsvoorstel aan te houden. De Eerste Kamer heeft op 20 december 2016 de wetsvoorstellen aangenomen, met uitzondering van het wetvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en het eerder genoemde wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing. De Staatssecretaris van Financiën heeft op de ochtend van de stemming in de Eerste Kamer, de kamer verzocht de stemming over de uitfasering van het pensioen in eigen beheer aan te houden. Zie hierover uitgebreider de toelichting op dat wetsvoorstel.

Dit document wordt gedurende de behandeling van de wetsvoorstellen aangevuld.

2 Kamerstukken

De plannen zijn opgenomen in de volgende wetsvoorstellen:

2.1 Belastingplan 2017

De Memorie van antwoord en de Nota naar aanleiding van het verslag hebben ook betrekking op de overige wetsvoorstellen.

2.2 Overige fiscale maatregelen 2017

2.3 Fiscale vereenvoudigingswet 2017

2.4 Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen

2.5 Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing

3 Cijfers 2017

Op 21 december 2016 heeft het Ministerie van Financiën de fiscale cijfers voor 2017 gepubliceerd. U vindt de cijfers via deze link.

3.1 Eigenwoningforfait

 WOZ-waarde bedraagt meer dan:  Maar niet meer dan:  Eigenwoningforfait percentage:
 € 0  € 12.500  nihil
 € 12.500  € 25.000  0,3%
 € 25.000  € 50.000  0,45%
 € 50.000  € 75.000  0,60%
 € 75.000  € 1.060.000  0,75%
 € 1.060.000  -  € 7.950 + 2,35% voorzover boven € 1.060.000 uitkomt

3.2 Box 3 heffing

Het heffingvrij vermogen bedraagt voor het jaar 2017: € 25.000.

Per 1 januari 2017 wordt de vermogensrendementsheffing herzien zodat beter wordt aangesloten bij het daadwerkelijk door de belastingplichtige behaalde rendement. Het forfaitaire rendement wordt voortaan gebaseerd op een voorgeschreven verdeling van het box 3-vermogen tussen spaargeld en beleggingen, in combinatie met in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten. In de onderstaande tabel zijn de tarieven en bijbehorende verdeling van het vermogen en rendement opgenomen.

 Vermogen na
 aftrek heffingsvrij
 vermogen

 Spaardeel (klasse
 I), forfatair
 rendement 1,63%

 Beleggingsdeel
 (klasse II), forfatair
 rendement 5,39%

 Per saldo belaste
 inkomsten
 (afgerond)

 Belastingheffing
 (afgerond)

 € 0 - € 75.000
 (1e schijf)

 67%

 33%

 2,87%

 0,86%

 € 75.000 -
 € 975.000
 (2e schijf)

 21%

 79%

 4,60%

 1,38%

 > € 975.000
 (3e schijf)

 0%

 100%

 5,39%

 1,62%

3.3 Schenk- en erfbelasting tarieven

 Verkrijging

 Tariefgroep I
 (partner en kinderen)

 Tariefgroep IA
 (kleinkinderen)

 Tariefgroep II
 (overige verkrijgers)

 0 - € 122.269  10%  18%  30%
 € 122.269 en hoger  20%  36%  40%

3.4 Vrijstellingen schenkbelasting

Kinderen  € 5.320
Kinderen 18 - 40 jaar (eenmalige grote schenking) of  € 25.526
Kinderen 18 - 40 (eenmalige schenking voor dure studie)  € 53.176
Kinderen 18 - 40 (eenmalige schenking voor eigen woning)  € 100.000
Overige verkrijgers  € 2.219

3.5 Vrijstellingen erfbelasting

 Partner  € 638.089
 Kinderen en kleinkinderen  € 20.209
 Bepaalde zieke en/of gehandicapte kinderen  € 60.621
 Ouders  € 47.859
 Overige verkrijgers  € 2.129

3.6 Vrijstelling ondernemingsvermogen

 Ondernemingsvermogen  Vrijstelling
 € 0 - € 1.063.479  100%
 € 1.063.479 - en hoger  83% voorzover boven de € 1.063.479

4 Successiewet

4.1 Aanslagtermijn na schenking voor eigen woning verlengd van drie naar vijf jaar

Vanaf 1 januari 2017 herleeft de mogelijkheid voor verkrijgers tussen 18 en 40 jaar oud om eenmalig (per schenker) € 100.000 vrij van schenkbelasting te ontvangen voor schenkingen bestemd voor besteding aan de eigen woning (art. 33 sub 5 onder c en sub 7 SW, tekst per 2017). De verhoogde vrijstelling schenkbelasting kan ingevolge art. 33a lid 2 SW (tekst per 2017) gespreid over drie achtereenvolgende kalenderjaren worden benut. Anders gezegd: als in jaar 1 een schenking is gedaan waarvoor een beroep is gedaan op de verhoogde schenkvrijstelling eigen woning, maar de vrijstelling in verband met die schenking nog niet volledig is benut, kan een latere verkrijging van dezelfde schenker (in jaar 2 of 3) alsnog ten laste van het resterende deel van de verhoogde vrijstelling worden gebracht.
Dit heeft tot gevolg dat pas na drie jaar kan worden vastgesteld voor welk bedrag daadwerkelijk een beroep op de verhoogde vrijstelling kan worden gedaan. In verband hiermee wordt voorgesteld aan art. 33a SW een derde lid toe te voegen, waarin wordt bepaald dat voor schenkingen waarvoor in de aangifte een beroep is gedaan op de verhoogde vrijstelling eigen woning, de reguliere termijn voor het opleggen van een aanslag (te weten drie jaar, art. 11 lid 3 AWR) wordt verlengd tot vijf jaar vanaf het moment dat de belastingschuld is ontstaan. De Nota naar aanleiding van het verslag vermeldt dat naar aanleiding van overleg met onder andere de EPN, KNB, NOB en het RB het voornemen bestaat om in de Uitvoeringsregeling S&E de opschortende en ontbindende voorwaarde die thans nog aan verschillende bestedingsdoelen zijn gekoppeld te vervangen door een uniforme bestedingseis die geldt ongeacht de wijze van besteding van de schenking aan de eigen woning.
Tevens wordt opgemerkt dat als de schenking wordt gebruik voor de aflossing van een eigenwoningschuld waaraan een kapitaalverzekering eigen woning is gekoppeld, het raadzaam is van te voren contact op te nemen met de geldverstrekker om de aflossing mogelijk gevolgen kan hebben voor de latere uitkering van de kapitaalverzekering en de daarop van toepassing zijnde vrijstelling.

Door diverse Kamerleden is gevraagd of het overgangsrecht dat zal gelden vanaf 1 januari 2017 voor schenkingen gedaan in het verleden kan worden vereenvoudigd. De wetgever wil daaraan niet toegeven. Een vereenvoudiging van het overgangsrecht naar een systeem waarbij de schenkvrijstelling voor de eigen woning wordt verlaagd met het bedrag waarvoor voor 1 januari 2017 beroep is gedaan op de vrijstelling in de relatie tot dezelfde schenker, zou te grote budgettaire gevolgen hebben.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel VII, C

4.2 Indirect belang kleiner dan 5% valt niet langer onder reikwijdte van de BOR (SW en IB)

De verkrijging van een IB-onderneming kan onder bepaalde voorwaarden geheel of deels zonder heffing van erf- en schenkbelasting plaatsvinden. Dit geldt ook voor de verkrijging van aandelen in een lichaam dat een onderneming drijft, mits dit aandelenpakket (kort gezegd) voor de erflater of schenker een aanmerkelijk belang vormde, dus een belang van 5% of meer. Dit geldt ook als de erflater of schenker een indirect belang bezat van ten minste 5%, dat wil zeggen dat hij aandelen bezat in een holding die op haar beurt een belang in de werkmaatschappij bezat. In dat geval worden de bezittingen en schulden van de werkmaatschappij pro rata toegerekend aan de holding (art. 35c lid 5 SW). Bij indirecte belangen kleiner dan 5% hanteerde de Belastingdienst het uitgangspunt dat deze waren uitgesloten van de bedrijfsopvolgingsregeling in de SW en de doorschuifregeling in de Wet IB 2001 uitgezonderd de situatie dat een minimaal indirect 5%-belang bij de erflater of schenker door verwatering als gevolg van vererving, overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of schenking een indirect belang tussen 0,5% en 5% is gaan vormen.

De Hoge Raad heeft op 22 april 2016 (nr 15/02845, ECLI:NL:HR:2016:705) echter geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsregeling onder omstandigheden ook van toepassing kan zijn op een indirect gehouden aandelenbelang dat kleiner is dan 5%. In de kwestie die bij de Hoge Raad speelde, kwalificeerden de indirect gehouden aandelen bij de direct gehouden holding op grond van de algemene leer van de vermogensetikettering als ondernemingsvermogen voor de holding, zodat de BOR SW ook op dit belang werd toegepast. Een belang als ondernemingsvermogen etiketteren is bijvoorbeeld mogelijk als het houden van het belang past binnen de (eigen of toegerekende) ondernemingsactiviteiten van de holding; het belang kan dan worden gezien als een bedrijfsmiddel.

Volgens de wetgever heeft het arrest een onbedoelde verruiming van de reikwijdte van zowel de BOR SW als de doorschuifregelingen in de inkomstenbelasting (art. 4.17a en 4.17c Wet IB 2001) tot gevolg. Immers: ook eventueel beleggingsvermogen in het lichaam waarin de holding een belang houdt kleiner dan 5% en welk belang wordt geëtiketteerd als ondernemingsvermogen, kwalificeert alsdan voor de BOR SW en de doorschuifregelingen. Er vindt geen toets plaats naar het in dit lichaam aanwezige beleggingsvermogen, en ook de bezits- en voortzettingseis gelden niet! Bij toerekening van een indirect belang van 5% of meer geldt deze beleggingstoets wel.
De verruiming past niet binnen de doelstellingen van zowel de BOR SW als de doorschuifregelingen in de inkomstenbelasting, te weten het uitsluitend faciliteren van reële bedrijfsopvolgingen voor het daarin aanwezige ondernemingsvermogen. Thans wordt voorgesteld de gevolgen van dit arrest te repareren.
De wetswijziging vindt plaats in het nieuwe zesde lid van art. 35c SW en het nieuwe zevende lid van art. 4.17a Wet IB 2001, onder vernummering van de huidige leden. In deze nieuwe artikelleden wordt bepaald dat een belang in een ander lichaam niet wordt gerekend tot het vermogen van de onderneming. Dit bewerkstelligt dat als de toerekeningsregel niet van toepassing is, een aandelenbezit van de holding niet alsnog via de leer van de vermogensetikettering of anderszins kan kwalificeren als ondernemingsvermogen van de holding. Directe en indirecte belangen kleiner dan 5% vallen hiermee niet onder de BOR SW en de doorschuifregelingen, met uitzondering van de verwatering op grond van het huwelijksvermogensrecht, schenking en erfrecht als bedoeld in art. 35c lid 5 onder b SW.
Door de wijziging wordt verschil gemaakt in behandeling van tijdelijk overtollige liquiditeiten die worden aangehouden in de vorm van een indirect aandelenbelang van kleiner dan 5% en die op een andere wijze worden aangehouden (banksaldo). In het eerste geval kwalificeren de tijdelijk overtollige liquiditeiten niet als ondernemingsvermogen en in het tweede geval wel.
De aanpassing zal met terugwerkende kracht gelden per 1 juli 2016.
In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt opgemerkt dat als een holding aandelen in de werkmaatschappij verwerft voor deze nieuw verworven aandelen een nieuwe bezitstermijn als bedoeld in art. 35d lid 1 onder c SW van vijf jaar gaat lopen. De BOR SW is op het (bij)gekochte deel van de aandelen pas van toepassing als aan deze bezitstermijn wordt voldaan. Voor aandelen die al in bezit waren blijft de oorspronkelijke bezitstermijn gelden. 

Verder wordt in de Nota naar aanleiding van het verslag gemeld dat een vooronderzoek is gestart dat dient te resulteren in een concreet plan dat voorziet in de verzameling en verwerking van de benodigde gegevens voor de adequate analyse van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de doorschuifregelingen (in de inkomstenbelasting) en de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel VII, D

5 Inkomstenbelasting

5.1 Boeterente als 'rente' aftrekbaar binnen de eigenwoningregeling

Met betrekking tot de Wet IB 2001 is het voorstel om aan art. 3:119a Wet IB 2001 een negende lid toe te voegen, waarin boeterente voor de eigenwoningregeling wordt aangemerkt als rente, en niet meer als kosten van geldlening. Onder boeterente wordt verstaan de reële vergoeding die de geldverstrekker in rekening brengt vanwege het renteverlies dat hij lijdt over de nog resterende rentevastperiode bij het al dan niet gedeeltelijk aflossen, wijzigen of oversluiten van een lening die behoort tot de eigenwoningschuld. Voor de aftrekbaarheid maakt het geen verschil of boeterente wordt aangemerkt als kosten van de geldlening of als renten. Het belang van de wijziging ligt echter bij situaties van rentemiddeling. Bij rentemiddeling hoeft de boeterente niet direct te worden betaald, maar mag dit worden uitgesmeerd over de nieuw overeengekomen rentevastperiode. Bij rentemiddeling is sprake van een reguliere rente, boeterente en een opslag voor overige risico’s. Deze onderdelen dient de bank ieder afzonderlijk te melden bij de Belastingdienst bij leningen waarvoor de fiscale aflossingseis geldt. Nu de boeterente voor de eigenwoningregeling als rente wordt aangemerkt en niet meer als kosten van de geldlening, is deze verplichting vereenvoudigd en kunnen banken zonder fiscale belemmeringen rentemiddeling aanbieden.

De strekking van dit artikel gold al op basis van een beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën (27 november 2015, nr BLKB 2015/1486M). In het voorgestelde art. 3:119a lid 9 Wet IB 2001 wordt dit beleidsbesluit gecodificeerd.

Vindplaats: Fiscale vereenvoudigingswet 2017, artikel I

5.2 Woning in aanbouw binnen de eigenwoningregeling

In art. 3.111 lid 3 Wet IB 2001 is bepaald dat voor de eigenwoningregeling ook een woning in aanbouw als eigen woning wordt aangemerkt, mits aannemelijk wordt gemaakt dat die woning in aanbouw uitsluitend is bestemd om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie jaren de belastingplichtige als eigen woning ter beschikking te staan. In de jurisprudentie werd het begrip woning in aanbouw beperkt uitgelegd. Van een woning in aanbouw is volgens de Hoge Raad pas sprake vanaf het moment van aanvang van de (feitelijke) bouwkundige werkzaamheden (HR 3 oktober 2014, nr 13/00471, ECLI:NL:HR:2014:2872). Het kabinet acht echter een bredere reikwijdte van het begrip woning in aanbouw gewenst. Bij beleidsbesluit van 26 november 2014 (MvF 26 november 2014, nr BLKB2014/1947M) is daarom, vooruitlopend op wetgeving, goedgekeurd dat ook sprake is van een woning in aanbouw wanneer concrete stappen zijn gezet voor het in gang zetten van de bouwkundige werkzaamheden. De goedkeuring wordt per 1 januari 2017 in art. 3.111 lid 3 Wet IB 2001 gecodificeerd, door een fictie op te nemen waardoor wordt aangenomen dat in ieder geval sprake is van een woning in aanbouw vanaf de periode die aanvangt zes maanden voorafgaande aan de feitelijke start van de bouwwerkzaamheden. Binnen die termijn van zes maanden hoeven die concrete stappen niet nader te worden onderbouwd. De fictie sluit niet uit dat buiten die termijn van zes maanden eveneens sprake kan zijn van een woning in aanbouw, alleen zal de belastingplichtige dan nader moeten onderbouwen dat concrete stappen zijn gezet voor het in gang zetten van de bouwkundige werkzaamheden.  Voor nieuwbouwwoningen is van voldoende concrete stappen in elk geval sprake vanaf het moment van het sluiten van de koop/aannemingsovereenkomst.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, A

5.3 Vruchtgebruik van een woning krachtens erfrecht binnen de eigenwoningregeling

Als krachtens erfrecht een vruchtgebruik van een woning wordt verkregen, kan de eigenwoningregeling van toepassing zijn voor de vruchtgebruiker. Hoewel de eigenwoningschuld op naam van de bloot eigenaar staat, kan de vruchtgebruiker de rente en kosten die hij betaalt op de schuld die de erflater is aangegaan in aftrek brengen als aftrekbare kosten van de eigen woning. In het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017 wordt voorgesteld dit beleid (MvF 21 februari 2014, nr BLKB2014/342M) in de Wet IB 2001 te codificeren door aanpassing van de volgende wetsartikelen:

  • Eigenwoningschuld (art. 3.119a)
  • Eigenwoningreserve (art. 3.119aa)
  • Aflossingseis (art. 3.119c)
  • Restschuld (art. 3.120a)
  • Defiscalisering (art. 5.4)
  • Bestaande eigenwoningschuld (art. 10bis.1)

5.3.1 Eigenwoningschuld

Art. 3.119a lid 1 Wet IB 2001 geeft aan wanneer sprake is van een eigenwoningschuld. Een van de voorwaarden is dat sprake moet zijn van een schuld van de belastingplichtige. Als sprake is van een vruchtgebruik of rechten van gebruik en bewoning, welk recht is verkregen krachtens erfrecht, behoort de schuld die op de woning rust niet tot het vermogen van de vruchtgebruiker, maar tot het vermogen van de bloot eigenaar. Dit zou ertoe leiden dat de vruchtgebruiker geen recht heeft op aftrek van renten en kosten van die schuld, terwijl hij die renten en kosten wel moet voldoen. Daarom wordt voorgesteld een nieuw achtste lid toe te voegen aan art. 3.119a Wet IB 2001 waarin wordt bepaald dat zo’n schuld mede wordt aangemerkt als een schuld van de vruchtgebruiker en deze schuld kwalificeert als fiscale eigenwoningschuld. Op grond van het voorgestelde achtste lid geldt dat als de vruchtgebruiker gehouden is de kosten en lasten te dragen van de betreffende schuld, deze schuld wordt aangemerkt als een eigenwoningschuld. Het is niet nodig dat die belastingplichtige ook de aflossingstermijnen voor zijn rekening neemt, zodat die door de bloot eigenaar kunnen worden voldaan.
Was de schuld een bestaande eigenwoningschuld bij de erflater in de zin van art. 10bis.1 Wet IB 2001 en was de belastingplichtige op het moment van overlijden partner van de erflater, dan wordt die schuld mede aangemerkt als bestaande schuld van de belastingplichtige op basis van het voorgestelde art. 10bis.1 lid 8 Wet IB 2001. Dit geldt ook voor schulden waarvan het recht van vruchtgebruik krachtens erfrecht al voor 1 januari 2013 was ontstaan. Voor deze bestaande eigenwoningschulden geldt de aflossingseis niet.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, B

5.3.2 Eigenwoningreserve

Op grond van art. 3.119aa lid 1 Wet IB 2001 wordt bij de vervreemding van de eigen woning het vervreemdingssaldo van de eigen woning toegevoegd aan de eigenwoningreserve. In het geval een vruchtgebruiker de eigen woning verkoopt, is deze vruchtgebruiker niet gerechtigd tot de verkoopopbrengst die betrekking heeft op het deel van de woning waar het vruchtgebruik op rust. Op grond van een nieuw lid 7 wordt dit deel van het vervreemdingssaldo eigen woning niet toegevoegd aan de eigenwoningreserve van de vruchtgebruiker. 

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, C

5.3.3 Aflossingseis

Aan art. 3.119c Wet IB 2001 wordt een nieuw lid toegevoegd. Dit lid bepaalt dat als de partner van de erflater krachtens erfrecht het vruchtgebruik of de rechten van gebruik en bewoning van de eigen woning heeft verkregen, het aflossingsschema van de erflater van toepassing blijft op de schuld. Op grond van het nieuw voorgestelde art. 3.119a lid 8 Wet IB 2001 behoort de schuld tot de eigenwoningschuld van de langstlevende partner. Nota bene, voor een vruchtgebruiker die krachtens erfrecht het recht verkrijgt maar geen partner is van de erflater, is het eigen aftrekverleden voor de vaststelling van het toe te passen aflossingsschema van belang.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, D 

5.3.4 Restschuld

Indien de eigen woning als bedoeld in art. 3.111 Wet IB 2001 wordt vervreemdt, kan de belastingplichtige met een restschuld achterblijven. De kosten en lasten die gepaard gaan met deze restschuld zijn op grond van art. 3.120a lid 1 Wet IB 2001 toch aftrekbaar. Wanneer de belastingplichtige gehouden is de kosten en lasten van een schuld te dragen, en die schuld samenhangt met een krachtens erfrecht verkregen vruchtgebruik of rechten van gebruik en bewoning, en bij de vervreemding van de woning een restschuld resteert, moeten die kosten en lasten ook bij de belastingplichtige-vruchtgebruiker aftrekbaar zijn. Daarom wordt in art. 3.120a Wet IB 2001 een nieuw lid 3 en lid 4 geïntroduceerd, de huidige leden 3 en 4 worden vernummerd naar leden 5 en 6.
Op grond van het nieuw voorgestelde lid 3 wordt voor de bepaling van de omvang van de restschuld in de zin van het tweede lid als schuld van de belastingplichtige-vruchtgebruiker mede aangemerkt een schuld zijnde een eigenwoningschuld op grond van het voorgestelde art. 3.119a lid 8 Wet IB 2001, waarvan de belastingplichtige op grond van een krachtens erfrecht verkregen vruchtgebruik of rechten van gebruik en bewoning gehouden is de kosten en lasten te dragen.

Het nieuw voorgestelde vierde lid zorgt ervoor dat indien de schuld op grond van het voorgestelde derde lid als restschuld kwalificeert voor de belastingplichtige-vruchtgebruiker, deze restschuld niet als restschuld kan worden aangemerkt bij de blooteigenaar.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, E

5.3.5 Defiscalisering

Art. 5.4 Wet IB 2001 zorgt voor defiscalisering van niet-opeisbare vorderingen van de kinderen op de langstlevende die krachtens erfrecht zijn ontstaan. Zo is voorkomen dat kinderen worden geconfronteerd met een heffing van inkomstenbelasting over vermogen waarover zij niet daadwerkelijk rendement genieten. Hiertegenover staat dat bij de langstlevende ouder de goederen waarop een recht van vruchtgebruik rust, voor hun volle waarde in box 3 in de heffing worden betrokken.
Deze regeling ziet alleen op bezittingen waarop een dergelijk vruchtgebruik rust, op grond van de huidige wettekst vallen schulden hier niet onder. Dit leidt tot een onwenselijke uitkomst aangezien ook schulden kunnen behoren tot een nalatenschap waarop een recht van vruchtgebruik rust. Daarom wordt voorgesteld art. 5.4 Wet IB 2001 aan te passen zodat alle vermogensbestanddelen die deel uitmaken van een algemeenheid waarop krachtens erfrecht een vruchtgebruik rust voor box 3 gelijk te behandelen en dus ook de schulden volledig bij de vruchtgebruiker in aanmerking te nemen. Goedgekeurd is dat de toerekening met terugwerkende kracht geldt vanaf de eerste peildatum voor box 3 na het openvallen van de nalatenschap onder de voorwaarde dat het vruchtgebruik binnen twee jaar na het het overlijden wordt gevestigd (MvF 8 mei 2015, nr BLKB2015/409M).
In de Nota naar aanleiding van het verslag geeft de staatssecretaris aan voorstellen om de fiscale gevolgen van een turboverdeling zoals hij die in een brief van 16 september 2014 (nr AFP/2014/806) heeft beschreven, meer in lijn te brengen met het civiele recht, nader te willen onderzoeken. In het voorjaar van 2017 komt hij hierop terug. 

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, J

5.3.6 Bestaande eigenwoningschuld

Op grond van het voorgestelde art. 3.119a lid 8 Wet IB 2001 kan een schuld waarvoor de belastingplichtige op grond van het krachtens erfrecht verkregen vruchtgebruik gehouden is de kosten en lasten te dragen, in bepaalde gevallen als een bestaande eigenwoningschuld worden aangemerkt waarop de aflossingseis niet van toepassing is. Gelet op art. 10bis.1 lid 1 Wet IB 2001 is dat wanneer het recht van vruchtgebruik voor 1 januari 2013 krachtens erfrecht is ontstaan. Een schuld die op 31 december 2012 kwalificeerde als eigenwoningschuld, wordt op grond van het overgangsrecht als bestaande eigenwoningschuld aangemerkt.
Is sprake van een schuld die voor de erflater als eigenwoningschuld kwalificeerde en is het recht van vruchtgebruik na 31 december 2012 ontstaan bij een vruchtgebruiker die partner was van de erflater ten tijde van zijn overlijden, dan wordt op grond van het voorgestelde art. 10bis.1 lid 8 Wet IB 2001 bewerkstelligd dat deze schuld als bestaande eigenwoningschuld van de vruchtgebruiker wordt aangemerkt. Dit betekent tevens dat de vruchtgebruiker de resterende termijn van maximaal 30 jaar voor de aftrek die gold voor de erflater overneemt. In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt bevestigd dat op grond van art. 3:220 en 3:222 BW fiscaal ervan kan worden uitgegaan dat de vruchtgebruiker de kosten en lasten van het vruchtgebruik draagt ook indien het testament daarover niets bepaalt.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, N

5.4 Maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking door middel van een VBI

Om belastingontwijking door middel van een VBI te bestrijden worden drie maatregelen voorgesteld:

  1. Als fictieve vervreemding wordt voortaan aangemerkt de verkrijging van de VBI-status van het lichaam waarin een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft (dit kan een bestaand lichaam zijn of een lichaam dat door afsplitsing van het beleggingsvermogen is ontstaan). Hierdoor moet over de positieve aanmerkelijkbelangclaim in box 2 worden afgerekend (het verschil tussen de fictieve vervreemdingsprijs en de verkrijgingsprijs). Het bedrag waarover wordt afgerekend wordt toegevoegd aan de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang. Als sprake is van een negatieve aanmerkelijkbelangclaim, is de fictie niet van toepassing. Hiermee wordt voorkomen dat een aanwezige negatieve aanmerkelijkbelangclaim kan worden verzilverd.
    De vervreemding wordt geacht plaats te vinden op de eerste dag van de periode waarin het lichaam de VBI-status verkrijgt.
    Voorgesteld wordt om de wetswijziging terug te laten werken tot en met 20 september 2016, 15.15 uur om te voorkomen dat op de wijziging kan worden geanticipeerd. Als een verzoek om verlening van de VBI-status voor dat tijdstip is ingediend, is geen sprake van een fictieve vervreemding bij de latere verkrijging van de VBI-status. De Staatssecretaris van Financiën legt het begrip verzoek ruim uit. Hieronder moet ook worden verstaan een verzoek tot vooroverleg over de verkrijging van de VBI-status of daaropvolgende correspondentie met de Belastingdienst.
  2. Door box 3-vermogen tegen het einde van een bepaald jaar onder te brengen in een VBI en dit in het begin van het tweede daaropvolgende jaar terug te halen naar box 3, blijft dit vermogen gedurende twee peildata onbelast in box 3 en is het rendement in de VBI vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Wel worden de aandelen in de VBI in box 2 forfaitair in de heffing betrokken. De beoogde wetswijziging leidt ertoe dat het vermogen zowel wordt belast in box 2 als in box 3, indien het vermogen binnen achttien maanden weer terugkeert naar box 3. Aan de belastingplichtige zal een meldingsplicht worden opgelegd op grond waarvan hij is gehouden mededeling te doen van terugkeer van het vermogen naar box 3. Deze maatregel geldt niet als de belastingplichtige zakelijke overwegingen voor zijn handelwijze aannemelijk kan maken. Onder zakelijke overwegingen moet in dit verband worden verstaan 'niet-fiscale' overwegingen, hiervan kan sprake zijn als door onvoorziene omstandigheden (denk aan echtscheiding of overlijden) het vermogen binnen achttien maanden na inbreng in de VBI weer behoort tot box 3.
  3. Het percentage van het forfaitaire rendement uit een VBI wordt gekoppeld aan het voor dat jaar geldende percentage van de hoogste schrijf in box 3.

Vindplaats: Belastingplan 2017, art. I, C, F, G en M

5.5 Afschaffen aftrek uitgaven monumentpanden

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft verzocht om de behandeling van dit wetsvoorstel aan te houden. Hierdoor wordt over dit wetsvoorstel niet meer gestemd in 2017. In een brief van 30 juni 2017 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laten weten dat de voorgenomen afschaffing van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden tot 2019 zal worden uitgesteld.

Voor de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden geldt dat de overheid slechts een beperkte mogelijkheid heeft om te sturen op besteding aan monumentenpanden. De monumenteigenaren kunnen zelf bepalen hoe en wanneer uitgaven worden gedaan. Bovendien is volgens de Belastingdienst de regeling fout- en fraudegevoelig. Regelmatig brengen belastingplichtigen kosten in aftrek die hiervoor niet in aanmerking komen en die door de Belastingdienst gecorrigeerd moeten worden. Dit bemoeilijkt de uitvoering en handhaving door de Belastingdienst. Daarom wordt voorgesteld de aftrekregeling af te schaffen en een subsidieregeling te introduceren. Ten aanzien van monumenteigenaren die al financiële verplichtingen zijn aangegaan, zal het kabinet een overgangsregeling treffen.

Wetstechnische aanpassingen
Indien de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden wordt afgeschaft, moet een aantal bepalingen in de Wet IB 2001 worden aangepast. In art. 6.1 lid 2 Wet IB 2001 zijn de persoonsgebonden aftrekposten vermeld. Onderdeel g van dit lid moet voorts vervallen, nu vanaf 1 januari 2017 de uitgaven voor monumentpanden niet meer als persoonsgebonden aftrekpost in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor art. 3.139 onder d Wet IB 2001, waarin de negatieve persoonsgebonden aftrek staat. Ten aanzien van art. 3.139 onder d Wet IB 2001 wordt echter een overgangsbepaling opgenomen, zodat de inhoud van de bepaling blijft gelden voor teruggaven van en nagekomen betalingen ter zake van uitgaven voor monumentpanden die in de jaren tot 2017 als persoonsgebonden aftrek in aanmerking zijn genomen. Afdeling 6.8 Wet IB 2001 regelt de uitgaven voor monumentpanden. Deze afdeling vindt na 1 januari 2017 geen toepassing meer en vervalt derhalve. Het afschaffen heeft voorts nog als gevolg dat het inkomen op grond van de artt. 7.2, 7.5 en 7.7 Wet IB 2001 niet meer verminderd mag worden met de uitgaven voor monumentpanden, om het belastbaar inkomen te berekenen. De betreffende zinsnede vervalt derhalve uit voornoemde artikelen. Voor een eventueel restant aan niet in aanmerking genomen aftrek van uitgaven monumentenpanden is overgangsrecht opgenomen. In art. 7.8 Wet IB 2001 vervalt de zinsnede over de uitgaven voor monumentenpanden eveneens.

Vindplaats: Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing, artikel I

5.6 Afschaffen aftrek scholingsuitgaven

Aan het afschaffen van de aftrek van uitgaven voor scholingsuitgaven ligt ten grondslag dat de regeling slechts beperkt wordt gebruikt. Daarnaast is de regeling voor de Belastingdienst lastig uitvoerbaar. Gezien bovenstaande gronden luidt het voorstel om de aftrek van scholingsuitgaven per 1 januari 2018 af te schaffen. In de Wet IB 2001 moet als gevolg van het afschaffen van de aftrek van scholingsuitgaven per 1 januari 2018 een aantal wetsartikelen worden aangepast. De uitgaven van scholing zullen geen persoonsgebonden aftrek meer vormen, zodat art. 6.1 onder f komt te vervallen. Afdeling 6.7 Wet IB 2001 komt ook wegens die grond te vervallen. De overgangsbepaling in art. 10a.16 Wet IB 2001 komt te vervallen, en voorts wordt art. 10a.20 aan de Wet IB 2001 toegevoegd, waarmee wordt beoogd te voorkomen dat ontvangen teruggaven of nabetalingen die betrekking hebben op reeds in aftrek gekomen scholingsuitgaven buiten beschouwing blijven.

Vindplaats: Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing, artikel II

5.7 Eis van 15 of 20 jaar premiebetaling voor vrijstelling KEW, SEW en BEW vervalt in (alle) gevallen

Wanneer een eigenwoningbezitter in financiële problemen verkeert kan hij gedwongen zijn om een lopend spaarproduct voor de aflossing van de eigenwoningschuld zoals een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), een spaarrekening eigen woning (SEW) en een beleggingsrecht eigen woning (BEW), tussentijds af te kopen. Op de uitkering kan een vrijstelling van toepassing zijn indien onder meer aan de voorwaarde is voldaan dat ten minste gedurende 15 of 20 jaar premies zijn betaald of bedragen op een geblokkeerde rekening zijn ingelegd. Vindt de afkoop plaats voordat aan deze premie/inleg-eis is voldaan, dan is voor een aantal situaties sinds 2014 goedgekeurd dat desondanks de vrijstelling op de afkoopsom kan worden toegepast, mits aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Thans is voorgesteld om deze goedkeuring (MvF 17 december 2014, nr BLKB2014/2168M) inclusief een verruiming wettelijk vast te leggen in art. 10bis.6 lid 3 Wet IB 2001. De zogenaamde tijdklemmen van 15 en 20 jaar gelden voor de vrijstelling van de afkoopsom niet in de volgende vier situaties:

  • indien het fiscaal partnerschap is geëindigd en in verband daarmee de kapitaalverzekering tot uitkering komt (deze laatste voorwaarde is toegevoegd bij de Tweede nota van wijziging);
  • indien de belastingplichtige in de gemeentelijke schuldhulpverlening zit;
  • indien op verzoek door de Minister van Financiën is vastgesteld dat de belastingplichtige door financiële problemen (naar verwachting binnen afzienbare tijd) niet langer in staat is om de eigenwoninglasten te betalen, en
  • indien de belastingplichtige een eigen woning heeft vervreemd en hem direct daarna nog steeds of opnieuw een eigen woning ter beschikking staat. Dit vormt een verruiming van de huidige wettelijke regeling waarbij de tijdklemmen slechts niet gelden indien de belastingplichtige na de verkoop niet langer zelf een eigen woning heeft, bijvoorbeeld omdat hij is verhuisd naar een huurwoning. Ook is niet langer vereist dat bij de vervreemding een restschuld is ontstaan.

Ten aanzien van zogenaamde Brede Herwaarderingkapitaalverzekeringen is voorgesteld een vergelijkbare regeling in de Invoeringswet IB 2001 vast te leggen. Voor een uitkering uit een dergelijke kapitaalverzekering geldt een vrijstelling van maximaal € 123.428 na 15 of 20 jaar premiebetaling. Deze uitkering wordt namelijk fiscaal afgewikkeld naar de wetgeving zoals die gold onder de Wet IB 1964. In de vier hiervoor genoemde situaties hoeft niet te worden voldaan aan de minimale premieduurvoorwaarde.
Het wetsvoorstel maakt voortijdige afkoop in een aantal situaties wettelijk mogelijk zonder dat daardoor de vrijstelling op de uitkering komt te vervallen. In de Tweede nota van wijziging is voorgesteld dat aanwending van kapitaalsuitkering voor aflossing van een restschuld wordt aangemerkt als aflossing van een eigenwoningschuld omdat anders de vrijstelling niet van toepassing kan zijn. Deze geldt immers alleen voor zover de uitkering wordt aangewend ter aflossing van de eigenwoningschuld. 

In de Nota naar aanleiding van het verslag voor de Tweede Kamer wordt aangegeven dat er vanuit fiscaal oogpunt geen belemmeringen zijn om de tijdklemmen van 15 en 20 jaar premiebetaling in zijn geheel te laten vervallen. Omdat het afschaffen ervan mogelijk nadelige gevolgen heeft voor aanbieders van deze spaarproducten wil de staatssecretaris eerst over de effecten met hen overleggen.
Bij aangenomen amendement is vooruitlopend op een positieve uitkomst van dit onderzoek naar de effecten alvast wettelijk geregeld dat de tijdklemmen in alle gevallen komen te vervallen (TK 2016-17, 34553, nr 15). Als voorwaarden om te profiteren van de vrijstelling gaan gelden dat vanaf aanvang van de verzekering jaarlijks premies is voldaan binnen de geldende bandbreedte-eis en dat de uitkering wordt gebruikt ter aflossing van de eigenwoningschuld. De eis dat jaarlijks premies moeten worden voldaan geldt gedurende de gehele looptijd van de verzekering, anders dan thans kan na 20 jaar jaarlijkse premiebetaling de verzekering niet meer premievrij worden gemaakt. Voor bestaande situaties waarin de verzekering reeds premievrij is gemaakt wordt nog naar een oplossing gezocht. Deze wijziging treedt pas in werking bij een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Verwacht wordt dat voor 1 februari 2017 bekend wordt wat de uitkomst is van het overleg met de banken en verzekeraars over de effecten van het vervallen van de tijdklemmen en wat de te verwachten ingangsdatum wordt van het geheel vervallen van de tijdklemmen. In de Nota naar aanleiding van het verslag voor de Eerste Kamer is door de staatssecretaris aangegeven dat afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek naar de impact van het vervallen van de tijdklemmen, zal worden bezien of het wenselijk is om de tijdklemmen deels of geheel ook te laten vervallen voor Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen. 

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, P 

5.8 Goedkoper wonen en maximum vrijstelling KEW, SEW en BEW

Om de afkoop van een KEW, SEW en BEW nog verder te stimuleren wordt nog een aanvullende afkoopmogelijkheid gecreëerd, een codificatie in gewijzigde vorm van de goedkeuring opgenomen in onderdeel 4.6 van het besluit van 6 december 2014, nr BLKB 2014/1763M. Hiervan kan gebruik worden gemaakt indien direct na de vervreemding van een eigen woning de belastingplichtige een lagere eigenwoningschuld op zijn nieuwe eigen woning heeft. De huidige wetsbepaling maximeert dan het bedrag van de vrijstelling KEW, SEW en BEW op het lagere bedrag van de eigenwoningschuld van de nieuwe eigen woning, waardoor een deel van de vrijstelling verloren kan gaan, namelijk wanneer de eigenwoningschuld op de verkochte woning hoger was. In aanvulling op deze regel is voorgesteld om in art. 10bis.6 lid 5 Wet IB 2001 de omvang van de KEW-, SEW- en BEW-vrijstelling te maximeren op het hogere bedrag van de eigenwoningschuld van de vorige eigen woning ten tijde van de vervreemding van die woning, zodat een gedeeltelijk verlies van de vrijstelling wordt voorkomen. Hieraan wordt de voorwaarde verbonden dat de KEW, SEW of het BEW binnen zes maanden na de vervreemding van de vorige eigen woning wordt afgekocht. Vindt de uitkering na zes maanden plaats dan geldt de huidige regel en wordt de vrijstelling gemaximeerd tot het lagere bedrag van de eigenwoningschuld van de nieuwe woning. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2017 zijn twee voorbeelden opgenomen ter verduidelijking van de toepassing deze regeling. Op grond van overgangsrecht geldt deze mogelijkheid ook indien de vervreemding van de vorige eigen woning voor 1 januari 2017 heeft plaatsgevonden en de uitkering van de KEW, SEW of het BEW voor 1 juli 2017 heeft plaatsgevonden.

Vindplaats: Overige Fiscale Maatregelen 2017, artikel I, P 

6 Loonbelasting

6.1 Wet uitfasering pensioen in eigen beheer

Op Prinsjesdag 2016 is het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer (PEB) bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken 34555). De reden hiervoor is dat het fiscaal in de loop der jaren minder aantrekkelijk is geworden om pensioen in eigen beheer op te bouwen, pensioen-BV’s minder ruimte hebben tot het doen van dividenduitkeringen door het steeds groter wordende verschil tussen de fiscale en commerciële waardering van de pensioenverplichting en de toegenomen administratieve lasten voor de dga en de Belastingdienst. Het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer (PEB) bestaat uit drie onderdelen:

  • beëindiging van de opbouw in eigen beheer,
  • afkoop van reeds opgebouwd pensioen in eigen beheer en
  • omzetting in een oudedagsverplichting.

Nadat de Tweede Kamer het wetsvoorstel had aangenomen, is eind 2016 in de Eerste Kamer de stemming over het wetsvoorstel aangehouden in afwachting van de uitkomst van een studie van het Ministerie van Financiën naar de mogelijkheid van aftrek van op de fiscale balans van de pensioenpremie betalende vennootschap geactiveerde indexatielasten. De angst was dat deze mogelijke aftrek de Staat veel geld zou gaan kosten. Uit het onderzoek is gebleken dat het wetsvoorstel het aftrekken van dergelijke lasten al uitsloot. Een aanpassing van het wetsvoorstel was dus niet noodzakelijk. Toch is in een wijzigingswet (novelle, Kamerstukken 34662) ten aanzien van de aftrek van geactiveerde indexatielasten het een en ander gewijzigd.

Zie voor een uitgebreide toelichting op het wetsvoorstel en de novelle art. 38n e.v. Wet LB. In deze toelichting wordt ook ingegaan op de coulancetermijn tot 1 juli 2017 om de beëindiging van de pensioenopbouw in eigen beheer administratief te regelen. Zowel het wetsvoorstel als de novelle zijn op 1 april 2017 in werking getreden.

6.2 Gebruikelijk loon bij innovatieve start-ups

Bij start-ups ziet de dga geregeld af van loon zodat de middelen in de onderneming kunnen worden geïnvesteerd. Dit knelt met de gebruikelijkloonregeling. Overleg met de Belastingdienst inzake de hoogte van het loon wordt ervaren als tijdrovend met een onzekere uitkomst. Daarom wordt voorgesteld dat het belastbare loon van een dga van een start-up in afwijking van de hoofdregel voor drie kalenderjaren wordt vastgesteld op het wettelijke minimumloon. Deze mogelijkheid zal gelden voor bedrijven (inhoudingsplichtige) aan wie een speur- en ontwikkeling-verklaring is afgegeven voor verricht S&O-werk en die voor de toepassing van de S&O-afdrachtsvermindering als starter worden aangemerkt. Van een starter is sprake als de inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven.
Als daadwerkelijk een hoger loon wordt genoten door de dga, wordt dit loon in aanmerking genomen. Voorgesteld wordt dat deze maatregel vervalt per 1 januari 2022, tenzij deze als positief wordt geëvalueerd. In lijn met de huidige gebruikelijkloonregeling krijgt de inhoudingsplichtige de mogelijkheid aannemelijk te maken dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan het wettelijke minimumloon. Reeds gemaakte afspraken met de Belastingdienst over de vaststelling van het belastbaar loon op een lager bedrag dan het minimumloon blijven van kracht.

Vindplaats: Belastingplan 2017 Art. II, B

7 Omzetbelasting

7.1 Samenloopregeling tussen overdrachtsbelasting en omzetbelasting van rechtswege bij levering bouwterrein

Naar aanleiding van het Maasdriel-arrest (HvJ EU 17 januari 2013, nr C-543/11, ECLI:EU:C:2013:20) wordt de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ zoals opgenomen in art. 11 lid 4 Wet OB aangepast. Uit dit arrest blijkt dat de uitleg van het begrip bouwterrein op basis van de huidige nationale wetsbepaling beperkter is dan de uitleg van hetzelfde begrip op basis van de bepaling in de BTW-richtlijn. Volgens het HvJ EU kan een terrein als bouwterrein in de zin van de BTW-richtlijn worden aangemerkt, wanneer uit de beoordeling van alle omstandigheden – met inbegrip van de intentie van partijen, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens – blijkt dat op de datum van levering het betrokken terrein daadwerkelijk was bestemd om te worden bebouwd. Om deze ruimere uitleg te codificeren stelt de wetgever voor om art. 11 lid 4 Wet OB in die zin te wijzigen dat onder het begrip ‘bouwterrein’ wordt verstaan: ‘onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met een of meer gebouwen’.
Op het tijdstip van de levering dient op basis van objectief vast te stellen gegevens sprake te zijn van een onbebouwd terrein dat is bestemd om te worden bebouwd. De intentie van de toekomstig eigenaar om de grond te bebouwen kan voldoende zijn voor de kwalificatie als bouwterrein, mits dit wordt ondersteund door objectieve gegevens waaruit volgt dat het terrein op het moment van levering bestemd was voor bebouwing. Niet langer moet aan één of meer van de vier in de huidige Wet OB 1968 opgenomen voorwaarden worden voldaan. Een objectief gegeven waaruit het voornemen om het terrein te bebouwen blijkt zoals een aangevraagde omgevingsvergunning of gemaakte architectkosten, kan volstaan.
Door de wijziging zal een levering van grond eerder worden aangemerkt als een BTW belaste prestatie. Het zal dus vanaf 2017 niet langer mogelijk zijn te kiezen voor het ruimere begrip bouwterrein uit de BTW-richtlijn of het beperktere begrip uit de huidige wet.

Ten aanzien van de eis van onbebouwde grond merkt de wetgever op dat uit het Don Bosco-arrest (HvJ EG 19 november 2009, nr C-461/08, ECLI:EU:C:2009:772) volgt dat ook sprake is van onbebouwde grond wanneer de leverancier grond levert waarop nog een gebouw staat, maar waarbij de leverancier zich heeft verbonden om het gebouw in het kader van de levering volledig te slopen. Irrelevant daarbij is de voortgang van de sloop op het moment van levering van het bouwterrein, zolang de onbebouwde grond op het moment van de levering bestemd was om te worden bebouwd.

De vraag deed zich voor of de op de BTW-richtlijn gebaseerde uitleg van het begrip bouwterrein doorwerkt naar de samenloopregeling in de WBR. Bij beleidsbesluit (2 juni 2016, nr BLKB2016/508M) is reeds goedgekeurd dat de samenloopregeling ook van toepassing is bij een bouwterrein dat alleen op grond van de BTW-richtlijn als zodanig wordt aangemerkt. Door de aanpassing van het begrip bouwterrein in art. 11 lid 4 Wet OB 1968 wordt aangesloten bij de uitleg volgens de BTW-richtlijn. Dit heeft tot gevolg dat de samenloopvrijstelling uit de WBR van rechtswege van toepassing is bij de verkrijging van een perceel grond dat ingevolge de Wet OB als bouwterrein kwalificeert en waarover dus omzetbelasting is verschuldigd. Het beleidsbesluit zal daarom na de inwerkingtreding van de wetswijziging komen te vervallen.

Vindplaats: Belastingplan 2017, Artikel X

8 Vennootschapsbelasting

8.1 Opteren voor belastingplichtig door stichtingen en verengingen

In art. 6 Wet Vpb wordt in het kader van vereenvoudiging het derde lid gewijzigd. Het artikel bepaalt dat stichtingen en verenigingen met beperkt winstgevende activiteiten zijn vrijgesteld van heffing van vennootschapsbelasting. Dit kan nadelig zijn voor de belastingplichtige, nu bij het ingaan van deze subjectieve vrijstelling een eindafrekening moet plaats vinden over alle stille reserves. Ter voorkoming van de belastingheffing hierover en de daarmee gepaard gaande liquiditeitsproblemen, is in lid 3 de mogelijkheid opgenomen te opteren voor belastingplicht. Dit geschiedt op verzoek van de belastingplichtige. In het huidige derde lid is de termijn voor indiening van een dergelijk verzoek uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het jaar waarop het verzoek betrekking heeft. In de praktijk is echter gebleken dat deze termijn te kort is. Veelal wordt pas bij het voorbereiden van de aangifte, en dus mogelijkerwijs te laat, het belang van opteren voor belastingplicht bekend. In dit wetsvoorstel wordt lid 3 zodanig gewijzigd dat het verzoek tot opteren van belastingplicht uiterlijk tegelijk met de aangifte moet worden gedaan.

Vindplaats: Fiscale vereenvoudigingswet 2017, artikel IV

8.2 Verlenging van de eerste tariefschijf 

Voorgesteld wordt om de eerste schijf (het 20%-tarief) van de vennootschapsbelasting met ingang van 1 januari 2018 te verlengen van € 200.000 naar € 250.000. Deze maatregel was reeds aangekondigd in de Kamerbrief over de voorgestelde uitfasering van het pensioen in eigen beheer (TK 2015-16, 34302, nr 122, p. 3). Daarnaast worden additionele verlengingen voorgesteld, namelijk een verlenging in 2020 naar € 300.000 en in 2021 naar € 350.000.

Vindplaats: Belastingplan 2017, Artikel V, Artikel VI, Artikel VII