LOADING  
Fiscaal
Civiel

Belastingpakket 2016

Belastingpakket 2016

Mail a friend
Bijgewerkt tot 23 december 2015

1 Belastingplan 2016 en Overige fiscale maatregelen 2016

Nadat de stemming voor het Belastingplan 2016 e.a. maar liefst twee keer werd uitgesteld, heeft een kleine meerderheid van de Tweede Kamer op 18 november 2015 het Belastingplan 2016 aangenomen. Het enige voor het notariaat relevante amendement dat is aangenomen is nummer 45. Ook de stemming in de Eerste Kamer verliep niet zonder slag of stoot, pas na een novelle heeft de Eerste Kamer op 22 december 2015 ingestemd met het Belastingplan 2016 en de novelle.

Het Belastingplan 2016 bevat geen herziening van het belastingstelsel waarover in het voorjaar nog werd gesproken, voor nu wordt slechts het forfaitair rendement van 4% in box 3 aangepast. Deze wijziging wordt echter volgens het voorstel pas per 1 januari 2017 van kracht. Hetzelfde geldt voor een andere voor het notariaat interessante wijziging: een structurele verhoging van de schenkvrijstelling voor de eigen woning tot € 100.000.

In het hierna volgende wordt ingegaan op de voor het notariaat van belang zijnde wijzigingen.

De belangrijkste kamerstukken:

Belastingplan 2016

Overige fiscale maatregelen 2016

2 Cijfers 2016

2.1 Eigenwoningforfait

 WOZ-waarde bedraagt meer dan:  Maar niet meer dan:  Eigenwoningforfait percentage:
 0  € 12.500  nihil
 € 12.500  € 25.000  0,3%
 € 25.000  € 50.000  0,45%
 € 50.000  € 75.000  0,60%
 € 75.000  € 1.050.000  0,75%
 € 1.050.000 -  € 7.875 + 2,35% voorzover boven € 1.050.000 uitkomt

 

2.2 Box 3 heffingvrij vermogen

Het heffingvrij vermogen bedraagt voor het jaar 2016: € 24.437.

 

2.3 Schenk- en erfbelasting tarieven

 Verkrijging

 Tariefgroep I

 (partner en kinderen)

 Tariefgroep IA  

 (kleinkinderen)

 Tariefgroep II

 (overige verkrijgers)

 0 - € 121.903  10%  18%  30%
 € 121.903 en hoger  20%  36%  40%

 

2.4 Vrijstellingen schenkbelasting

 Kinderen  € 5.304
 Kinderen 18 - 40 jaar (eenmalige grote schenking) of  € 25.449
 Kinderen 18 - 40 (eenmalige schenking voor eigen woning of dure studie)  € 53.016
 Overige verkrijgers  € 2.122

 

2.5 Vrijstellingen erfbelasting

 Partner  € 636.180
 Kinderen en kleinkinderen  € 20.148
 Bepaalde zieke en/of gehandicapte kinderen  € 60.439
 Ouders  € 47.715
 Overige verkrijgers  € 2.122

 

2.6 Vrijstelling ondernemingsvermogen

 Ondernemingsvermogen  Vrijstelling
 0 - € 1.060.298  100%
 € 1.060.298 - en hoger  83% voorzover boven de € 1.060.298

3 Successiewet

3.1 Structurele verhoging schenkvrijstelling eigen woning tot € 100.000 (per 2017)

In het Belastingplan 2016 is opgenomen om per 1 januari 2017 de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning structureel te verhogen tot € 100.000. Tevens zal niet langer de beperking gelden dat het een schenking tussen ouder en kind moet betreffen. Wel blijft de voorwaarde gelden dat de begiftigde tussen de 18 en 40 jaar oud is.
In de Nota naar aanleiding van het verslag zijn een aantal onduidelijkheden weggenomen. Zo kan deze structurele vrijstelling ook worden gebruikt voor de aflossing van restschulden van vóór 29 oktober 2012, is een beroep erop ook mogelijk als de verkrijger zelf niet aan de leeftijdseis voldoet, maar diens partner wel, en zal het beleid omtrent een in het buitenland gelegen eigen woning ook gelden voor de nieuwe vrijstelling. Bovendien is toegezegd dat bij gebruik van de verhoogde vrijstelling in één kalenderjaar, een deel van de schenking (voor kinderen € 25.449, voor anderen € 2.122, voorgestelde cijfers 2017) aan andere doeleinden dan de eigen woning mag worden besteed. Ook dit is in lijn met hetgeen geldt voor de huidige eenmalige verhoogde vrijstelling.

In antwoord op vragen is nogmaals benadrukt dat de vrijstelling door de begiftigde alleen mag worden gebruikt voor besteding aan diens eigen eigen woning. De schenking mag bijvoorbeeld niet worden gebruikt om een eigenwoningschuld af te lossen die historisch causaal verband houdt met de eigen woning van een ander. Bij een gezamenlijke eigenwoningschuld van twee ongehuwde personen of twee buiten gemeenschap van goederen gehuwden, impliceert dit dat de schenking alleen kan worden aangewend voor de aflossing van het eigen deel van de eigenwoningschuld, aldus de Staatssecretaris van Financiën. Zie hierover ook onderdeel 11 van het commentaar op art. 33a (oud).

In de Vierde nota van wijziging is geregeld dat de vrijstelling van € 100.000 zoals deze vanaf 1 januari 2017 geldt, kan worden gespreid over drie achtereenvolgende kalenderjaren. De verkrijger dient in zijn aangifte schenkbelasting in het eerste kalenderjaar van de gespreide schenking door één en dezelfde schenker een beroep te doen op de verhoogde schenkvrijstelling, waarbij automatisch spreiding plaatsvindt indien de vrijstelling niet volledig wordt benut. In de twee kalenderjaren volgend op het jaar van de schenking kan het niet gebruikte deel van de verhoogde vrijstelling worden benut, mits daarop voor de betreffende schenkingen in de aangifte een beroep wordt gedaan. De verkrijger (of zijn/haar partner) kan alleen van deze spreiding gebruik maken voor zover de schenkingen plaatsvinden in de periode dat de verkrijger tussen de 18 en 40 oud is. 

Samenloop
De verhoogde schenkingsvrijstellingen zijn eenmalige vrijstellingen. Dat de vrijgestelde bedragen van art. 33 aanhef en onderdelen 5 (verkrijging van ouder) en 7 (verkrijging van overige schenkers) voor één kalenderjaar worden verhoogd, betekent dat in de relatie tussen degene die schenkt en degene die de schenking ontvangt, slechts eenmaal een beroep op de verhoogde vrijstelling kan worden gedaan.
In art. 82a SW wordt vanaf 2017 een overgangsregeling opgenomen die de samenloop regelt van de nieuw in te voeren verhoogde vrijstellingen met de vóór 1 januari 2017 geldende verhoogde vrijstellingen (van art. 33 onderdeel 5/6 SW en art. 33a (oud) SW).
Daarin wordt onder meer vastgelegd dat als een kind in 2015 of 2016 gebruik maakt van de thans geldende verhoogde schenkvrijstelling eigen woning van ruim € 50.000, in het jaar 2017 of 2018 door de ouder nog een inhaalschenking kan worden gedaan voor een bedrag van maximaal € 46.984, ongeacht welk bedrag in 2015 of 2016 is geschonken (voorgestelde cijfers 2017, € 100.000 minus het bedrag van de studievrijstelling in het jaar van de aanvullende schenking). De maximale hoogte van het bedrag dat wordt vrijgesteld als in 2017 of 2018 een inhaalschenking wordt gedaan, is onafhankelijk van het bedrag dat het kind in het jaar 2015 of 2016 daadwerkelijk geschonken heeft gekregen. Voorwaarde voor een beroep op de inhaalvrijstelling is wel dat het kind op het moment van de inhaalschenking nog altijd geen 40 jaar oud is.

Studievrijstelling
De vrijstelling voor schenkingen voor een dure studie of opleiding blijft ongewijzigd.
Lees meer
Vindplaats: Belastingplan 2016, art. XXXV, art. XXXVI en art. XXXVII

4 Overdrachtsbelasting

4.1 Ontlopen overdrachtsbelasting door middel van erfpachtlease geblokkeerd

Bij erfpachtlease wordt een onroerende zaak verkocht onder voorbehoud van een erfpachtrecht. Doorgaans komen de erfpachtvoorwaarden en de hoogte van de canon die moet worden betaald, sterk overeen met hetgeen wordt afgesproken bij sale-en-leaseback (verkoop onder gelijktijdige vestiging van een huurrecht). Door gebruik te maken van erfpachtlease wordt voor de heffing van overdrachtsbelasting de heffingsmaatstaf verminderd met de gekapitaliseerde waarde van de verschuldigde canon. Bij het einde van het erfpachtrecht beschikt de koper over de volle eigendom zonder dat daarover overdrachtsbelasting is verschuldigd.

Het kabinet wil het fiscale voordeel dat met erfpachtlease kan worden behaald ten opzichte van sale-en-leaseback, voorkomen. Hiertoe is met het Belastingplan 2016 in art. 11 lid 4 WBR vastgelegd dat de vermindering met de canon of retributie bij verkrijging van een onroerende zaak bezwaard met een erfpachtrecht, opstalrecht of erfdienstbaarheid als bedoeld in art. 11 lid 2 WBR, achterwege blijft in de volgende gevallen:

  1. als de eigendom wordt verkregen door levering onder voorbehoud van een erfpachtrecht, opstalrecht of erfdienstbaarheid ten behoeve van diegene die de onroerende zaak vervreemdt; of
  2. als de eigendom wordt verkregen bezwaard met een hiervoor genoemd beperkt recht, welk recht is gevestigd gelijktijdig met of binnen drie jaar voorafgaand aan de eigendomsoverdracht, terwijl in verband met de vestiging van het recht de vrijstelling van art. 15.1.h WBR is toegepast.

Gelijktijdig is in art. 11 lid 5 WBR opgenomen dat bij een opvolgende verkrijging van het beperkte recht door de bloot eigenaar of diens rechtsopvolgers onder algemene titel, de maatstaf van heffing wordt verminderd met het bedrag waarover bij de vorige verkrijging overdrachtsbelasting of omzetbelasting was verschuldigd.
Vindplaats: Belastingplan 2016, art. XXXIX

5 Inkomstenbelasting

5.1 Herziening box 3 (per 2017)

De vermogensrendementsheffing in box 3 wordt met ingang van 1 januari 2017 herzien, zodat deze beter aansluit bij het daadwerkelijk door de belastingplichtige behaalde rendement. Het forfaitaire rendement wordt voortaan gebaseerd op de gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen tussen spaargeld en beleggingen (de vermogensmix), in combinatie met in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten.
Om het voordeel uit sparen en beleggen vast te stellen, wordt het vermogen van elke belastingplichtige verdeeld over schijven en geldt per schijf een gemiddelde vermogensmix. Aan het spaardeel en het beleggingsdeel in de vermogensmix wordt een gemiddeld rendement toegerekend op basis van in het algemeen gerealiseerde marktrendementen. De rendementen zullen elk jaar worden herijkt.
De vaststelling van het voordeel in box 3 zal aan de hand van de volgende tabel geschieden: 

Vermogen in box 3 (na aftrek van het heffingvrij vermogen van € 25.000)

maar niet meer dan

wordt toegerekend aan rendementsklasse I (spaardeel)

en wordt toegerekend aan rendementsklasse II (beleggingsdeel)

€ 0

€ 75.000

67%

33%

€ 75.000

€ 975.000

21%

79%

€ 975.000

-

0%

100%

Waarbij het volgende forfaitaire rendement geldt:

  • het voordeel van de grondslag dat wordt toegerekend aan rendementsklasse I: 1,63%
  • het voordeel van de grondslag dat wordt toegerekend aan rendementsklasse II: 5,5%.

Deze percentages zijn voorlopige percentages en worden volgend jaar definitief vastgesteld.

Op basis van de thans in het wetsvoorstel genoemde percentages kan het te belasten voordeel worden berekend aan de hand van het voor elke schijf geldende rendementspercentage:

Schijf

Box 3-vermogen

Heffingvrij vermogen

rendement

1

0 - € 100.000

-/- € 25.000

2,9071 %

2

€ 100.000 - € 1.000.000

 

4,6873 %

3

meer dan € 1.000.000

 

5,5 %

Vindplaats: Belastingplan 2016, art. II, C

5.2 Forfaitair voordeel vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) wordt verhoogd

Bij amendement nr 45 is voorgesteld het forfaitaire voordeel uit een aanmerkelijkbelang in een vrijgestelde beleggingsinstelling te verhogen van 4% naar 5,5% van de waarde in het economische verkeer van de aandelen of winstbewijzen (art. 4.14 Wet IB 2001). Deze wijziging gaat tegelijk in met de wijziging van de heffing in box 3, dus per 1 januari 2017.

Het doel van het amendement is het ontmoedigen van box 3 beleggers die met hun box 3 vermogen willen uitwijken naar een vrijgestelde beleggingsinstelling.

5.3 Uitsluiten verplichting tot betalen kinderalimentatie als schuld in box 3 (per 2017)

Door het van kracht worden van de Wet hervorming kindregelingen is per 1 januari 2015 de persoonsgebonden aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen vervallen. Dit heeft tot gevolg dat in de jaren 2015 en 2016 de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie als schuld in box 3 in aanmerking kan worden genomen. Hierdoor is een disbalans ontstaan omdat het recht op alimentatie niet, maar de verplichting tot betaling wel in aanmerking wordt genomen.
Daarom is aan art. 5.3 Wet IB 2001 een bepaling toegevoegd waarmee verplichtingen aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien, worden uitgezonderd van de in box 3 in aanmerking te nemen verplichtingen.
Deze wijziging wordt per 1 januari 2017 van kracht.
Vindplaats: Belastingplan 2016, art. II, D

5.4 Niet langer permanent verlies renteaftrek bij aflossingsachterstand van eigenwoningschuld

Sinds 2013 geldt voor de eigenwoningschuld de verplichting om deze annuïtair af te lossen in ten minste 30 jaar. Indien een belastingplichtige hieraan niet voldoet en de aflossingsachterstand ook niet binnen de daarvoor geldende termijnen inhaalt, gaat de schuld permanent over naar box 3. De belastingplichtige verliest voor die schuld de renteaftrek in de eigenwoningregeling. Als de schuld wordt afgelost en een nieuwe schuld wordt aangegaan, behoort ook deze nieuwe schuld op grond van art. 3.119e lid 5 Wet IB 2001 tot box 3 en kwalificeert dus niet als eigenwoningschuld.
Het kabinet is van mening dat deze sanctie te streng is en heeft besloten om deze bepaling te laten vervallen. Hierdoor is de uitsluiting van de eigenwoningregeling en de overgang naar box 3 niet meer definitief. De schuld die is overgegaan naar box 3 of een nieuwe (opvolgende) schuld kan op enig moment gedurende het kalenderjaar weer kwalificeren als eigenwoningschuld, mits aan de aflossingsverplichting wordt voldaan. Met andere woorden de aflossingsachterstand moet zijn ingehaald. Is met toepassing van art. 3.119e lid 2 onder a Wet IB 2001 het annuïtairschema aangepast, dan wordt daarmee rekening gehouden. Op deze wijze heeft een belastingplichtige alleen geen recht op renteaftrek in de periode dat de schuld tot box 3 behoort. Op het moment dat een belastingplichtige de oude schuld weer aanmerkt als een eigenwoningschuld of een nieuw aangegane schuld als zodanig aanmerkt, zal de Belastingdienst via het reguliere proces vaststellen of is voldaan aan de eisen voor renteaftrek.
Deze wijziging wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 ingevoerd.
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2016, art. I, C

5.5 Vereenvoudiging informatieplicht voor eigenwoningschuld aan familielid of eigen BV

Voor 'nieuwe' eigenwoningschulden (aangegaan op of na 1 januari 2013 en die niet onder het overgangsrecht vallen) geldt dat als de lening is afgesloten bij een ander dan een aangewezen administratieplichtige (bijvoorbeeld een familielid of de eigen BV), de rente alleen aftrekbaar is als wordt voldaan aan de informatieplicht die is opgenomen in art. 3.119g Wet IB 2001. Thans is de belastingplichtige gehouden om bij het aangaan van de schuld en bij latere wijzigingen, bepaalde gegevens via een modelformulier aan de Belastingdienst aan te leveren. Dit proces blijkt in de praktijk zeer bewerkelijk voor zowel de belastingplichtige als de Belastingdienst. Daarom wordt de informatieplicht geintegreerd in het aangifteproces van de inkomstenbelasting. De aan te leveren gegevens worden in de aangifte IB vermeld, zodat invullen van het aparte formulier hier achterwege kan blijven. Deze verplichting is met ingang van 1 januari 2016 in art. 3.119g Wet IB 2001 vastgelegd zodat alle huidige bepalingen zijn vervallen. Voor schulden die na 31 december 2015 worden aangegaan, verloopt de gehele informatievoorziening via de aangifte IB.
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2016, art. I, D

5.6 Dubbele vrijstelling voor fiscale partners bij uitkering uit kapitaalverzekering, spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning

Tot 1 januari 2013 was het mogelijk om een levensverzekering, spaarrekening of beleggingsrecht af te sluiten waarvan de uitkering of het spaarsaldo was bestemd voor de aflossing van de eigenwoningschuld. Een dergelijk spaarproduct wordt voor de heffing van de inkomstenbelasting in box 1 in plaats van in box 3 betrokken. De uitkering is vrijgesteld van inkomstenbelasting mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan en tot maximaal € 161.500 (vrijstelling 2015, € 162.000 voor 2016). Deze vrijstelling geldt per belastingplichtige en kan uitsluitend worden benut als de belastingplichtige begunstigde is van de uitkering. Fiscale partners kunnen elk hun eigen vrijstelling benutten indien zij beiden als begunstigde van de uitkering zijn aangewezen. Dit blijkt in de praktijk vaak niet het geval te zijn. Daarom is het met ingang van 1 januari 2016 mogelijk dat fiscale partners de dubbele vrijstelling kunnen benutten zonder dat de feitelijke aanpassing van de begunstiging is vereist. Op basis van de nieuwe regeling kunnen partners bij het indienen van de aangifte een gezamenlijk verzoek doen op basis waarvan een uitkering wordt geacht voor de helft bij iedere partner op te komen. Iedere partner kan vervolgens voor zijn deel de eigen vrijstelling benutten.
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2016, art. I, H

5.7 Afschaffen minimumwaarderingsregel bij afkoop

Premies voor (onder meer) lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort zijn in box 1 aftrekbaar; de latere uitkeringen worden in box 1 belast. Indien met betrekking tot een lijfrente een handeling wordt verricht die in strijd is met de voorwaarden voor premieaftrek leidt dit tot belastingheffing. Vindt deze handeling in de opbouwfase plaatst, dan wordt de waarde minimaal gesteld op het totaal van de voor de aanspraak betaalde premies (de minimumwaarderingsregel). Als de waarde van de lijfrenten door de economische ontwikkelingen lager is dan de betaalde premies, kan dit leiden tot de situatie waarin de verschuldigde belasting het uitgekeerde bedrag overstijgt. Dit onwenselijk effect wordt teniet gedaan door de minimumwaarderingregel niet toe te passen in dergelijke situaties.

In de parlementaire toelichting is opgemerkt dat een beleidsbesluit zal worden gepubliceerd waardoor voor gevallen waarin de termijn voor ambtshalve vermindering nog niet is verlopen, vooruitlopend op deze wetswijziging een tegemoetkoming kan worden verleend voor afkopen die hebben plaatsgevonden voor 1 januari 2016.
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2016, art. I, E

5.8 Codificering beleidsbesluiten inzake buiten Nederland gelegen monumenten en landgoederen

Op 18 december 2014 heeft het HvJ EU geoordeeld dat de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden (nr C-87/13, ECLI:EU:C:2014:2459) en het aanmerken van een onroerende zaak als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet (nr C-133/13, ECLI:EU:C:2014:2460) ook mogelijk moet zijn voor onroerende zaken die niet in Nederland maar in een andere EU-lidstaat zijn gelegen, mits de onroerende zaken verband houden met het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed. In reactie op deze uitspraken zijn twee goedkeuringen gepubliceerd.

De eerste goedkeuring heeft betrekking op de aftrek van kosten voor monumentenpanden in de inkomstenbelasting. Deze goedkeuring houdt in dat uitgaven voor monumentenpanden die zijn gelegen op het grondgebied van een andere EU of EER-lidstaat ook in aftrek kunnen worden gebracht, mits:
a. het pand een element vormt van cultuurhistorisch erfgoed van Nederland, en
b. het pand voor aanwijzing als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988 in aanmerking zou komen als het op Nederlands grondgebied zou zijn gelegen.

De tweede goedkeuring heeft betrekking op het aanmerken van een onroerende zaak als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet. Ook een landgoed dat niet in Nederland ligt, maar in een andere EU-lidstaat of staat waarmee Nederland een afspraak over de uitwisseling van informatie, kan als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet worden aangemerkt, mits dit een element vormt van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed en de onroerende zaak voldoet aan nadere criteria (thans nog vastgelegd in een beleidsbesluit die zullen worden opgenomen in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928).

Met de wet Overige fiscale maatregelen 2016 zijn beide goedkeuringen gecodificeerd.
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2016, art. I, F en art. 5

5.9 Wijziging in het fiscaal en toeslagpartnerbegrip bij plaatsing in opvanghuis

Op basis van art. 1.2 lid 1 onder e Wet IB 2001 worden als partner aangemerkt twee meerderjarige personen die op hetzelfde adres in de basisregistratie personen staan ingeschreven, wanneer op dat adres tevens een minderjarig kind van ten minste een van hen beiden staat ingeschreven. Dit kan betekenen dat twee personen die worden gehuisvest in een opvanghuis met een minderjarig kind van een van hen beiden, als elkaars fiscaal partner en toeslagpartner worden aangemerkt. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor hun recht op toeslagen.
Door het Belastingplan 2016 worden dergelijke personen niet als elkaars partner aangemerkt zolang zij op dat adres staan ingeschreven. Om voor deze uitsluiting van het partnerschap in aanmerking te komen, moet de belastingplichtige de van de gemeente verkregen beschikking overleggen op grond waarvan hij in aanmerking komt voor plaatsing in een opvanghuis als bedoeld in art. 1.1.1 WMO 2015.
Vindplaats: Belastingplan 2016, art. I, A en art. XLIII

5.10 Stiefkind op verzoek geen fiscaal en toeslagpartner

Een bloedverwant in de eerste graad van de belastingplichtige wordt niet als fiscaal en toeslagpartner aangemerkt, tenzij beiden bij aanvang van het kalenderjaar 27 jaar oud zijn (art. 1.2 lid 4 onder a Wet IB 2001). Met de wet Overige fiscale maatregelen 2016 is deze bepaling uitgebreid tot stiefkinderen (aanverwanten), zodat ook zij niet als elkaars fiscaal partner en toeslagpartner worden aangemerkt. Dit kan positieve gevolgen hebben voor het recht op toeslagen.
De belastingplichtige en de aanverwant moeten verzoeken om toepassing van deze uitzondering. Het verzoek geldt tot het moment dat beiden de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt. Op een eenmaal gedaan verzoek kan niet in een volgend jaar worden teruggekomen. In de Nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt dat het voor de belastingdienst niet mogelijk is op basis van de informatie waarover zij beschikt te bepalen of sprake is van een stiefkind-relatie. Daarom is het noodzakelijk dat wordt verzocht om toepassing van deze uitzondering.
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2016, art. I, A en art. XIX, A

6 Invorderingswet

6.1 Bestrijden emigratielek aanmerkelijkbelanghouders

Door emigratie houdt een aanmerkelijkbelanghouder op binnenlands belastingplichtige te zijn, in beginsel is dit een belastbaar feit voor de inkomstenbelasting. Onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van emigratie wordt de aanmerkelijkbelanghouder geacht de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen te hebben vervreemd. De inkomstenbelasting wordt geheven door middel van een conserverende aanslag. Voor deze conserverende aanslag wordt op grond van de huidige wetgeving tien jaar uitstel van betaling verleend. Vindt binnen deze tien jaar geen omstandigheid plaats die tot invordering leidt, dan wordt de conserverende aanslag op verzoek kwijtgescholden.
In de praktijk is gebleken dat kwijtschelding de regel is geworden en dat zelden een conserverende aanslag wordt betaald. Hierdoor loopt Nederland belastinginkomsten mis. Daarom heeft het kabinet een regeling geintroduceerd waarbij (1) al dan niet verkapte winstuitdelingen na emigratie in alle gevallen leiden tot een intrekking van het uitstel ter grootte van 25% van de winstuitdeling en (2) de conserverende aanslag niet meer louter als gevolg van tijdsverloop na tien jaar wordt kwijtgescholden. De tienjaarstermijn komt derhalve te vervallen. Aan deze wijziging is terugwerkende kracht verleend tot en met 15 september 2015, 15.15 uur. Op een conserverende aanslag die is opgelegd naar aanleiding van een emigratie die zich heeft voorgedaan voor dit tijdstip, blijft derhalve de tot op dat tijdstip geldende wetgeving van toepassing.
Een hiermee samenhangende wijzigingbetreft art. 7.5 Wet IB 2001. Een lichaam dat ten minste vijf jaar In Nederland is gevestigd geweest wordt geacht fictief haar vestigingsplaats nog in Nederland te hebben totdat de conserverende aanslag volledig is voldaan. Op basis van deze vestigingsplaatsfictie kan Nederland krachtens de Wet IB 2001 25% inkomstenbelasting blijven heffen van een geëmigreerde aanmerkelijkbelanghouder over dividend dat is uitgekeerd na verplaatsing van de werkelijke leiding van de vennootschap. Een belastingverdrag kan dit heffingsrecht beperken.
Vindplaats: Belastingplan 2016, art. XLIV, A, B en C

6.2 Verduidelijking van aansprakelijkheid bij handel in vennootschappen met fiscale en stille reserves

Een grootaandeelhouder met een belang van ten minste 33 1/3 % die zijn aandelen (deels) vervreemdt, kan onder voorwaarden aansprakelijk worden gesteld voor door de vennootschap niet betaalde vennootschapsbelasting over de in de vennootschap bij vervreemding aanwezige stille reserves (art. 40 Inv.). Met de wet Overige fiscale maatregelen 2016 is een wijziging doorgevoerd verduidelijkt dat naast natuurlijke personen ook lichamen aansprakelijk kunnen zijn. Hierover werd geprocedeerd en op 16 oktober 2015 heeft de Hoge Raad (nr 14/02700, ECLI:NL:HR:2015:3781) geoordeeld dat art. 40 Inv. ook voor lichamen geldt.
Daarnaast is de wijze waarop een voormalig aandeelhouder zich kan disculperen aangescherpt. Disculpatie is alleen nog mogelijk voor zover (1) de egalisatiereserves of stille reserves betrekking hebben op roerende of onroerende zaken dan wel vermogensrechten, (2) de zaken en rechten waarop de reserves rusten, na de vervreemding van de aandelen nog ten minste zes maanden in het bezit van de vennootschap zijn en (3) de vervreemder bewijst dat het niet aan hem te wijten is dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. Aan de voorgestelde wijzigingen is terugwerkende kracht verleend tot en met 15 september 2015, 15.15 uur.
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2016, art. XVII, B