LOADING  
Fiscaal
Civiel

Belastingpakket 2020

Belastingpakket 2020

Dit thema maakt onderdeel uit van het kennisdossier: Belastingpakketten Mail a friend
Bijgewerkt tot 31 oktober 2019
De redactie

1 Inleiding

Op 17 september 2019 is het Belastingpakket 2020 gepresenteerd. Dit pakket bestaat uit onder meer het Belastingplan 2020, de Wet Overige Fiscale Maatregelen 2020 en de Wet fiscale maatregelen klimaatakkoord. Hieronder vindt u een selectie van de voor het notariaat relevante voorstellen tot wetswijziging. Dit overzicht wordt gedurende het wetgevingsproces voortdurend aangepast aan nieuwe ontwikkelingen.

2 Kamerstukken

Via onderstaande links kunt u de parlementaire stukken van de wetsvoorstellen raadplegen.

Belastingplan 2020 (Kamerstukken 35302)

Overige Fiscale Maatregelen 2020 (Kamerstukken 35303)

Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord (Kamerstukken 35304)

3 Overdrachtsbelasting

3.1 Algemeen tarief overdrachtsbelasting van 6% naar 7%; woningen blijven 2%

In de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord is voorgesteld om het algemene tarief voor de overdrachtsbelasting te verhogen van 6% naar 7%. Deze verhoging treedt - blijkens de Memorie van toelichting en de nota van wijziging bij deze wet – per 1 januari 2021 in werking. Op de verkrijging van woningen blijft het verlaagde tarief van 2% van toepassing. 
Vindplaats: Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord, art. IX

3.2 Verkenning tariefdifferentiatie overdrachtsbelasting

De Tweede Kamer heeft in het voorjaar van 2019 unaniem een motie van de Tweede Kamerleden Dik-Faber en Ronnes (TK 2018-19, 32847, nr 497) aangenomen waarin de regering wordt verzocht om een verkenning uit te voeren naar een gedifferentieerde overdrachtsbelasting waarbij starters worden vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De Staatssecretaris van Financiën heeft per brief op 12 maart 2019 (nr 2019-0000033537) aangegeven dat een dergelijke maatregel de overdrachtsbelasting uitermate complex maakt en geen efficiënte manier is om de problemen op de woningmarkt op te lossen. 
In de Memorie van toelichting bij de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord wordt opgemerkt dat het huidige voorstel (2% en 7%) niet tot nieuwe afbakeningsproblemen leidt. Bij een introductie van het begrip ‘starter op de woningmarkt’ zouden uiteraard wel nieuwe afbakeningsproblemen ontstaan.
Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vermeldt op pagina 216 van de Memorie van toelichting bij de ‘Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2020’ dat zij de Tweede Kamer in oktober 2019 zal informeren over de hiervoor genoemde motie van de Tweede Kamerleden Dik-Faber en Ronnes.

In een brief van 17 september 2019 (nr 2019-0000489676) heeft de minister aangegeven dat het kabinet een differentiatie van de overdrachtsbelasting verkent voor zowel starters als beleggers, om te bezien in hoeverre dat uitvoerbaar, effectief en proportioneel is. In dat kader wordt ook onderzocht of de huurinkomsten op een andere wijze dan thans kunnen worden belast.

3.2.1 Amendement inzake tarief overdrachtsbelasting: 0% voor starters

Tweede Kamerlid Nijboer heeft op 24 oktober 2019 een (verbeterd) amendement bij het Belastingplan 2020 (TK 2019-20, 35302, nr 16) ingediend, waarbij een tariefdifferentiatie wordt gemaakt tussen starters (verkrijgers die nooit eerder een woning hebben verkregen), beleggers (verkrijgers die al twee of meer woningen in eigendom hebben) en overige verkrijgers. Op basis van het amendement zou voor starters het tarief 0% worden, voor de beleggers en verkrijgers van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon (art. 4 lid 1 onder a WBR) zou een tarief van 6% gaan gelden en voor overige verkrijgers (woningbouwcorporaties en verkrijgers die al eigendom hebben van één woning) een tarief van 2%. 
De tariefdifferentiatie zou ook gaan gelden ook voor de verkrijging van rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties  als bedoeld in art. 4 lid 1 onder b WBR; deze rechten worden aangemerkt als de verkrijging van een woning. 
Voor de verkrijging van een aanhorigheid bij een woning wordt aangesloten bij het tarief dat van toepassing is of was op de verkrijging van de woning zelf.

Dit amendement is op 14 november 2019 - met 68 stemmen voor - verworpen.

4 Inkomstenbelasting

4.1 Versnelde invoering tweeschijvenstructuur in Wet IB 2001

Eerder dan aangekondigd wordt reeds per 1 januari 2020 in box 1 van de loon- en inkomstenbelasting de tweeschijvenstructuur geïntroduceerd. Het (met de premieheffing volksverzekeringen gecombineerde) lage tarief van 37,35% voor het belastbare inkomen tot € 68.507 en het toptarief van 49,5% voor het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 68.507. Vanaf 2021 daalt het basistarief naar 37,1%. Voor AOW-gerechtigden geldt in 2020 voor het inkomen tot € 34.712 (€ 35.375 indien geboren voor 1946) nog een lager tarief van 19,45% en in 2021 een tarief van 19,2%. Voor AOW-gerechtigden geldt dus een drieschijvenstructuur.

Box 1-tarief Belastbaar inkomen meer dan maar niet meer dan Tarief 2020 Tarief 2021
Schijf laag tarief - € 68.507 37,35% 37,10%
Schijf hoog tarief € 68.507 - 49,50% 49,50%

Vindplaats: Belastingplan 2020, art. XX, A.1 en A.3 en B.1 en B.2

4.2 Verlaging aftrektarief hypotheekrente en eigenwoningforfait voor de eigen woning

De vervroegde verlaging in 2020 van het toptarief in box 1 naar 49,5% heeft geen effect op het maximumtarief waartegen hypotheekrente kan worden afgetrokken. In 2019 bedraagt dat aftrektarief nog 49%. Het aftrektarief zal per 2020 conform de reeds eerder aangenomen wetgeving met 3% worden verlaagd tot 46%. In de daaropvolgende jaren wordt dit aftrekpercentage jaarlijks verder met 3% verlaagd totdat in 2023 het basistarief van thans 37,1% zal zijn bereikt. Deze verlagingen van het percentage waartegen aftrekposten kunnen worden vergolden gelden ook voor de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de TBS-vrijstelling en de persoonsgebonden aftrek waaronder begrepen de partneralimentatie, uitgaven voor specifieke zorgkosten en aftrekbare giften.
In het Belastingplan van vorig jaar was al geregeld dat in 2020 het eigenwoningforfait daalt naar 0,6% voor woningen met een WOZ-waarde van meer dan € 75.000 en niet meer dan € 1.080.000. Voor zover de WOZ-waarde meer dan € 1.080.000 bedraagt, geldt onveranderd het forfait van 2,35%.
Vindplaats: Belastingplan 2020, art. XX, A.2 en 4 en Belastingplan 2019, art. II, D

4.3 Verhoging aanmerkelijkbelangtarief en verlaging toptarief vennootschapsbelasting

Er komt géén wijziging in de vorig jaar in het Belastingplan 2019 reeds vastgelegde verhoging van het aanmerkelijkbelangtarief van thans 25% naar 26,25% in 2020 en 26,9% in 2021, ondanks het voorstel in het Belastingplan 2020 om het hoge vennootschapsbelastingtarief van 25% in 2020 niet te verlagen en in 2021 in geringere mate te verlagen, namelijk tot 21,7%.

Vpb tarief Winst. meer dan maar niet meer dan Tarief 2019 Tarief 2020 Tarief 2021
Schijf laag tarief - € 200.000 19,0% 16,5% 15,0%
Schijf hoog tarief € 200.000 - 25,0% 25,0% 21,7%


Vindplaats: Belastingplan 2019, art. II, E en art. III, C en art. XXI, A

4.4 Tegengaan excessief lenen bij de eigen vennootschap

De gepresenteerde Belastingplannen bevatten nog geen maatregelen die het excessief lenen bij een eigen vennootschap moeten tegengaan. Na de aankondiging hiervan in het Belastingplan 2019 zijn de begin maart gepubliceerde conceptvoorstellen (zeer) kritisch ontvangen. Daarin is opgenomen dat vanaf 2022 het bedrag dat een aanmerkelijkbelanghouder meer heeft geleend van zijn vennootschap dan € 500.000 als verkapt dividend in box 2 wordt belast. Aangekondigd is dat in het vierde kwartaal van dit jaar het wetsvoorstel met de maatregelen naar de Tweede Kamer zal worden gestuurd.
Aanbiedingsbrief pakket Belastingplan 2020, onderdeel 4

5 Algemene wet inzake rijksbelastingen

5.1 Aanpassing termijn belastingrente erfbelasting bij verkrijging onder voorwaarde (art. 30g lid 2 AWR)

Bij een erfrechtelijke verkrijging geldt als hoofdregel een aangiftetermijn van 8 maanden na het overlijden (art. 45 lid 1 SW). Voor die situatie geldt (sinds 1 januari 2019) dat als een verzoek om een voorlopige aanslag erfbelasting of aangifte erfbelasting wordt gedaan, géén belastingrente in rekening wordt gebracht mits de (voorlopige of definitieve) aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig dat verzoek of die aangifte (art. 30g AWR). 
In sommige gevallen vangt de termijn voor het indienen van de aangifte erfbelasting echter op een ander moment aan dan op de dag van het overlijden, bijvoorbeeld bij een verkrijging als gevolg van het vervullen van een voorwaarde. De wet bepaalt op dit moment nog dat bij het opleggen van een aanslag erfbelasting ter zake van een verkrijging als gevolg het vervullen van een voorwaarde, de periode waarover belastingrente wordt berekend aanvangt direct op de dag waarop die voorwaarde wordt vervuld. Bijvoorbeeld bij de verkrijging van de verwachter op grond van een tweetrapsmaking. Voorgesteld wordt om art. 30g lid 2 onder b AWR zodanig te wijzigen dat ook in geval van vervulling van een voorwaarde het tijdvak waarover belastingrente wordt gerekend pas aanvangt acht maanden na de dag waarop die voorwaarde wordt vervuld. 
In art. 30g lid 7 AWR wordt voorts opgenomen dat art. 45 lid 2 en 3 SW van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot de toepassing van art. 30g lid 2 onderdelen a en b en lid 4 AWR. Deze artikelleden zien op de aanpassing van de termijn voor het doen van aangifte erfbelasting bijvoorbeeld bij onbeheerde nalatenschappen, bij verkrijging door uitoefening van een wilsrecht, bij verkrijgingen ten gevolge van vervulling van een voorwaarde, ten gevolge van aanvaarding nadat eerst verworpen was of ten gevolge van afstand door een verkrijger onder een ontbindende voorwaarde. 
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2020, art. XI, onderdeel L

5.2 Aanpassen termijn belastingrente vennootschapsbelasting (30f lid 4 en 30fc lid 4 AWR)

Een aangifte vennootschapsbelasting is tijdig als deze wordt ingediend voor de eerste dag van de zesde maand na afloop van het aangiftetijdvak (doorgaans 1 juni). Volgens de huidige regeling inzake het in rekening brengen van belastingrente over een (voorlopige of definitieve) aanslag vennootschapsbelasting (art. 30f AWR), geldt dat geen belastingrente in rekening wordt gebracht als de aangifte vennootschapsbelasting is ontvangen vóór de eerste dag van de vierde maand na afloop van het tijdvak waarop de aangifte ziet (doorgaans 1 april) en de aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Wordt de aangifte tussen 1 april en 1 juni in gediend, dan is deze wel tijdig, maar kan toch belastingrente in rekening worden gebracht. 
Voorgesteld wordt de regeling inzake belastingrente vennootschapsbelasting aan te passen, zodanig dat geen belastingrente in rekening wordt gebracht als de aangifte vennootschapsbelasting tijdig wordt ingediend (dus voor de eerste dag van de zesde maand na het tijdvak waarover de belasting wordt geheven; doorgaans 1 juni), mits de belastingaanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. 
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2020, art. XI, onderdelen J en K

5.3 Aanpassing inkeerregeling: niet langer boetevrij inkeren voor inkomen box 2 (art. 67n lid 3 AWR, art. 69 lid 3 AWR)

Als een belastingplichtige in het verleden bepaalde bestanddelen niet heeft aangegeven, kan hij onder voorwaarden boetevrije inkeren. Voor in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen die vallen in box 3, is boetevrije inkeer echter uitgesloten (art. 67n AWR). Voorgesteld wordt dat boetevrije inkeer ook wordt uitgesloten voor inkomen uit aanmerkelijk belang. 
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2020, art. XI, onderdeel M

5.4 Openbaarmaking vergrijpboeten opgelegd aan aan medeplegende beroepsbeoefenaar (art. 67r AWR)

Voorgesteld wordt om bepaalde onherroepelijk geworden vergrijpboeten die op grond van  medeplegen aan beroepsbeoefenaars, zoals belastingadviseurs, notarissen, accountants en advocaten zijn opgelegd, openbaar te maken. Het betreft boetes die zijn opgelegd voor vergrijpen in de zin van art. 10a (spontane informatieplicht), art. 67cc (verstrekken onjuiste/onvolledige informatie), art. 67d (niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte), art. 67e (veroorzaken van te lage aanslag) en art. 67f (niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen) AWR. Vereist is dat het gaat om een vergrijp dat opzettelijk is begaan, hieronder ook begrepen voorwaardelijk opzet. 
Voorafgaand aan de openbaarmaking, stelt de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking tot openbaarmaking vast. Hiertegen is bezwaar en beroep mogelijk. Als in een individueel geval openbaarmaking disproportioneel uitpakt, wordt niet tot openbaarmaking overgegaan. 
De vergrijpboete kan pas openbaar worden gemaakt als ook de beschikking tot openbaarmaking onherroepelijk vaststaat.
Deze maatregel heeft overigens uitsluitend betrekking op de vergrijpboetes opgelegd aan beroepsbeoefenaars en niet ook op boetes die aan een belastingplichtige wordt opgelegd. 
Vindplaats: Overige fiscale maatregelen 2020 art. XI, onderdeel N

6 Diversen

6.1 Verhoging vrije ruimte werkkostenregeling

Vanaf 2020 wordt de vrije ruimte voor werkgevers groter (art. 31a Wet LB). Bedraagt deze thans nog 1,2% van de loonsom, vanaf volgend jaar bedraagt deze 1,7% over de eerste € 400.000 van de loonsom en voor het meerdere 1,2%. In totaal levert dit dus maximaal € 2000 extra vrije ruimte op.
Vindplaats: Belastingplan 2020, art. XI, D

6.2 Invoering in verhuurderheffing van maatregelen om woningbouw te stimuleren

Een verhuurder die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan vijftig sociale huurwoningen is een heffing verschuldigd over de waarde van de huurwoningen. In deze verhuurderheffing worden twee nieuwe maatregelen voorgesteld om de woningbouw te stimuleren. Enerzijds een structurele heffingsvermindering van maximaal € 25.000 per gebouwde sociale huurwoning in regio’s waar de druk op de woningmarkt het hoogst is en anderzijds een tijdelijke vrijstelling voor gebouwde tijdelijke woningen (maximaal 15 jaar) die worden gerealiseerd in de periode 2020-2024 en bedoeld zijn voor onder meer studenten, mantelzorgers, statushouders en arbeidsmigranten.  
Vindplaats: Belastingplan 2020, art. XIV